Voormalig landgoed de Keijenberg: ”Het barst van de mooie herinneringen.”

LandgoeddeKeijenberg_DhrvanMaanen_PetervanDinther
Henny van Maanen (geb. 1942)
Pachter

Ik zie hem aan komen lopen met pet op om zich heen kijkend. Na een kopje koffie lopen we door het informatiecentrum de Beken en nemen plaats in een kantoorruimte. Henny van Maanen kent dit gedeelte als de tweede woning bij de boerderij, waar hij in 1942 geboren is. Zittend aan een bureau kijken we uit over de tuin aan de Noordzijde van de boerderij. Hij voelt zich betrokken en is begaan met het groen in deze omgeving, dat zo sterk verschilt met hoe het vroeger was.

Tekst Jeanne van Poppel, beeld Peter van Dinther.

 

‘Het barst van de mooie herinneringen. Het landgoed de Keijenberg van baron Schimmelpenninck was 240 ha groot. Daar waren twee boerderijen bij: de Beken en het Everwijnsgoed. Plus het Boshuis, de woning aan de rechterkant van de weg richting Bennekom en het huisje van Veldman (de jachtopziener), die in het bos achter Hotel Campman woonde.
Mijn moeder was een boerendochter geboren in Rotterdam. Mijn vader was geboren op de Noordberg in Heelsum. Mijn ouders trouwden meteen na de crisis in 1938. Mijn vader vertelde over de crisis, dat hij met zijn vader naar de markt in Arnhem ging met varkens en koeien. Iedereen had varkens en biggen, maar er was geen voer en ook geen geld. Mijn ouders leden geen honger, maar het was een slechte tijd.

Boeren in het beekdal
In de tweede woning van de Beken woonde na de oorlog onder andere de familie van Veldhuizen, een timmermans gezin met drie kinderen. We hadden niet veel met elkaar te maken, maar we hielpen elkaar bijvoorbeeld bij het kalven van een koe.
De tuin van mijn ouders liep ongeveer ter hoogte van de heg aan de Noordzijde en vandaar naar de beek toe. De tuin van de buren liep daarachter. Mijn ouders verbouwden er allerlei groenten zoals raapstelen, kroten en spinazie. Er was een kippenhok en er liepen enkele ganzen. En aardbeien! De plek waar ze groeiden was drie keer zo groot als deze kamer. Als wij aardbeien plukten was alles rood: ons gezicht, onze broek. Verder van het huis richting de beek was een bongerd met Bellefleuren, sterappels en Goudrenetten. Er waren kruisbessen, rode bessen en zwarte bessen. Het was veel werk en daarom kwam een 65- plusser meehelpen. Hij mocht als wederdienst met zijn gezin uit de tuin mee-eten.

LandgoeddeKeijenberg_PetervanDinther_panorama

De pachter betaalde een keer in het jaar op 1 november de pacht. De manier van betalen typeerde de verhouding. Baron Schimmelpenninck schakelde Veldman, de jachtopziener, in om te zorgen dat de pacht op de afgesproken tijd betaald werd en die zei dan: “Van Maanen, je moet je horloge gelijk zetten, want je moet vanmiddag om twee uur de pacht betalen.” Hij moest dus om precies twee uur op de deurbel drukken. De baron zat achter zijn bureau en pakte het papieren geld aan. De munten legde mijn vader neer op het bureau. De baron veegde ze in een la en pakte ze niet aan: dat was volksgeld. Aan de achterzijde van de villa hing een bel, die de baron gebruikte om Veldman op te roepen. De bel kon je overal op het landgoed horen.
Een ander voorbeeld: aan de Noordzijde van de boerderij lag een stukje gras, waarop mijn moeder lakens te bleken legde. De baron zei: “Dat is gewoon geen gezicht. Weg die zooi.” En dat ging weg, want als de baron zei dat is afgelopen, dan was het afgelopen.

Mijn vader begon met 13 à 14 zwartbonte koeien. Fries-Hollandse daar hield hij van. Op de deel stonden aan de rechterkant 13 koeien en aan de linkerkant 5 paarden. Later heeft mijn vader de paarden naar de andere schuur gebracht en kwamen er 7 koeien bij. De andere schuur was een kapschuur, die in de plaats was gekomen van hooibergen. In de winter werd het graan hierin gedorst.
Hij pachtte totaal 30 ha grond van de baron. De koeien liepen toen in het beekdal en op 6 ha weiland aan de Utrechtse weg in Renkum. Daar werd de rijksweg (N225) later midden overheen gelegd. Op de 14 ha hoge grond, als je van Renkum komt, verbouwde mijn vader haver, rogge, gerst, en aardappels. Later gingen we door met koeien en nam maïs de plaats in van de voederbieten. Mijn vader gebruikte ook een schaapskooi die vlak bij de beek stond. Hij deed het werk op de boerderij niet alleen. Drie à vier mensen die in ploegendienst waren bij Van Gelder – papier werkten mee. Mijn moeder hielp mee bij het voeren van de varkens en de kippen. Zij verwerkte de slacht, de groente en het fruit. Ook waren er mensen uit het dorp die langs kwamen voor eieren of melk.

Onderduiken en evacueren
Wanneer het er slecht aan toe ging en de granaten over het dak heen vlogen, schuilden mijn vader, moeder en familie uit Heelsum in de kelder onder dit huis. Er was ruimte voor ruim 30 personen. Iedereen lag op matrassen op de grond, maar meneer en mevrouw Schimmelpenninck zaten in een rieten stoel. Voor iedere nacht dat hij er verbleef, gaf hij mijn moeder een gulden. Daags voor 1 november zei hij echter wel: “Morgen is het pacht betalen.”
Vlakbij de villa waren onderduikers verborgen. In een oude aardappelkelder zaten 4 Joden, terwijl in de villa Duitse stafofficieren woonden en werkten. Mijn vader, moeder en Veldman hielpen deze onderduikers. Ik nam aan dat mijn moeder voor ze kookte. Na drie keer in de week wortels zeiden ze weleens: “Alweer wortels.” Maar goed, ze hebben het overleefd zonder gepakt te worden. Dat was een gelukkige zaak, want anders had ik misschien geen ouders meer gehad.

Een bijzonder voorval overkwam mijn moeder. In 1943/44 kwam een landwachter, een Nederlander die de Duitsers hielp, met een groep bij mijn moeder. Hij sprak eisend: “Ik moet kinderkleren.” Mijn moeder was een vrij grote vrouw ongeveer zo groot als ik. Zij had alleen haar ogen als wapen. Ze bleef hem met opgetrokken wenkbrauwen aankijken, totdat ze bij zijn laatste fatsoenlijke vezel was. Hij droop af. Dat mensje achterlatend met een bonkend hart natuurlijk.

Ook mijn ouders evacueerden op 2 oktober 1944. Met paard en wagen en allerlei huishoudelijke spullen erop trokken zij met het gezin naar Lunteren. Net zoals op de TV in Bosnië. Ik was te klein om te beseffen hoelang deze tocht duurde. Na de oorlog in 1945 zag je overal botten van koeien, die doodgeschoten en opgegeten waren. Allerlei munitie lag verspreid. Als je naar Renkum fietste was er net na de bocht een walletje aan de rechterkant van de weg, waar je met je benen overheen kon zitten. Daar zaten soldaten granaten tussen hun knieën los te schroeven en daar fietsten wij gewoon langs.

Beheren van groen
De rentmeester zorgde voor het beheer van de bossen. In de oorlogsjaren was meneer Fukking rentmeester en later meneer Houterman. Als buurman had ik meer te maken met Gijs Jacobs, de bosbaas. Ik nam mijn pet voor hem af. Hij deed het praktische werk, zaagde de bomen en was alle dagen in de weer om bomen te verzorgen. Hij pootte hier en daar wat Douglas-sparren en berken. Als het droog weer was pakte hij een emmer en goot er water bij. Hij onderhandelde over de prijs en maakte de bomen klaar voor de verkoop. Hij woonde in een wit huisje op de plek van een vleugel van een uitbreiding van de Keijenberg. Toen hij gepensioneerd was, is dat afgebroken. Gijs Jacobs is 106 jaar oud geworden en in 2010 overleden.

In de tijd van mijnheer de baron lag er rond de villa ongeveer 20 ha grond. Daar was veel onderhoud voor nodig zoals het bijharken en het afsteken van de paden. Twee mannen liepen dagelijks achter de grasmaaimachine van ’s maandags tot zaterdagsavonds. Daar stonden mooie struiken en bomen zoals de Azalea mollis, rododendrons en exotische planten. Er was een grote (moes)tuin met kassen, waarin druiven geteeld werden Ook een grote tennisbaan hield men bij. In 1938 was Schimmelpenninck het niet eens met de invoering van de personele belasting. Het personeel werd ontslagen en het onderhoud liep daarna sterk terug.

De pachter had ook een taak in het onderhoud. In het oude pachtcontract van baron Schimmelpenninck stonden artikelen over het beheer van de grond. Bijvoorbeeld op welke plekken geen onkruid mocht staan en dat in gras geen onkruid mocht staan. Als de baron aan het einde van het jaar meer belasting verwachtte te betalen was verkopen van grond in die tijd een normale gang van zaken. Ik heb meegemaakt dat jonkheer Frits, zoon van de baron, tussen Kerst en Nieuwjaar voorstelde een stuk grond te verkopen. Hij deed niets van de prijs af, maar eiste wel dat het bedrag betaald werd voor 31 december. Dat was dus niet eenvoudig, omdat de banken eigenlijk dicht waren tussen Kerst en Nieuwjaar.

Ontwikkelen tot boer in Flevoland
In mijn jeugd betrokken mijn ouders mij bij werkzaamheden op de boerderij. Bieten opéén zetten in de lente was een van de klusjes waar het mee begon. Een ander klusje was het bieten snijden in de winter. Eerder was je al opgedragen de koeien te halen. Maar er was ook tijd om te spelen. Het liefst was ik buiten. Vissen vangen, want alle beken zaten vol met water, forellen en stekelbaarzen. We bouwden een dam of een hut, verzamelden tamme kastanjes en klommen in de bomen zoals in de fijnspar in het Kraaienbos, dat er nog staat. Met vrienden zaten we heerlijk in het zonnetje op de plek van de doorkijk van de villa te kletsen. In de winter met oostenwind fietste ik door het Kraaienbos naar huis. In het Vriendschapsbosje reden we in de sneeuw met een sleetje de helling af en als je mazzel had kwam je in de beek terecht.

Mijn vader bleef pachter op de Beken na de verkoop van het landgoed aan Staatsbosbeheer. Daardoor kon ik als tiener van 17, 18, 19 jaar meelopen op het bedrijf. Na mijn landbouwopleiding ging ik meewerken tot 1971, waarna ik het bedrijf van mijn vader overnam en trouwde.
In 1972 bouwde ik een nieuwe ligboxenstal en kon van 35 naar 50 koeien uitbreiden. We gingen voortaan in de stal melken. De melk ging in een koeltank, waarvoor ik een lokaal in de kapschuur had gemaakt. Het water van de beek hadden we daarom niet meer nodig voor het schoonmaken van de melkbussen en de melkmachines. En het koelen van de melk. In die periode hield de beek ook op met stromen.

De aanleiding voor de stap naar de IJsselmeerpolders lag in de jaren 1976 en 1979 met uiterst droge zomers. Ik wilde gaan beregenen, maar Staatsbosbeheer maakte daar bezwaar tegen en opperde de mogelijkheid van een boerderij in de IJsselmeerpolders. Twee keer kwam ik niet in aanmerking, omdat verplaatsing vanwege natuurbeheer geen geldige reden was. Ik verdubbelde de ligboxenstal in 1980. Het aantal ha grond was al ruim 50 ha door overname van de pacht van de grond van het Everwijnsgoed. Een paar jaar later waren de eisen veranderd en kwam Staatsbosbeheer weer bij mij: ‘Als je nou nog eens een keer zou willen solliciteren’. Dat heb ik gedaan, want de mooie grond en de rechthoekige stukken in de IJsselmeerpolders trokken mij aan.

In november 1982 kregen we bericht dat ik een boerderij toegewezen kreeg. Ik had tot eind maart tijd om mijn plannen te verwezenlijken anders kwam ik niet meer aanmerking voor een boerderij. Ik vroeg een maand uitstel in verband met mijn vader. Mijn vader woonde in het dorp en kwam iedere dag op de boerderij. Hij wou niet mee en dat ging mij aan het hart. We kozen voor de polder. In dat eerste jaar runden wij tegelijkertijd twee bedrijven met medewerkers. Mijn vader overleed plotseling. Toen in 1984 mijn vrouw definitief naar de polder kwam, was ik lichamelijk helemaal op. Dat was ons begin in Zuid-Flevoland.’

 

Kijk ook eens op: