Nationaal Park de Hoge Veluwe: ‘Die dingen zijn nu allemaal weg. Ja, dat is wel jammer.’

 HogeVeluwe_PortretPSchuur_PetervanDinteherMG_3287_www
Peter Schuur (geb. 1920)
Tuinman jachtslot

Op een mooie maandagmorgen begin mei fiets ik naar het huis van meneer Schuur. Ik tref hem in de koffiezaal en samen lopen we naar zijn kamer. Een leuke ruimte met aan de muur een foto van de boerderij waar hij samen met vrouw en kinderen in Hoenderloo gewoond heeft. De kamer heeft een mooi uitzicht op een klein, groen parkje met immens grote bomen. Deze staan net in hun frisse lentegroene bladerdek. Een uitzicht waar de heer Schuur als buitenmens erg van kan genieten. Een uitzicht dat hem ook doet denken aan zijn werk buiten op de Hoge Veluwe.

Tekst Tessy Smeets, beeld Marianne Jans (tenzij anders vermeld)

‘Ik was 17 toen ik bij landgoed “de Hoge Veluwe” terechtkwam. Voordat ik daar kwam, werkte ik aan de straat van Terlet naar Beekbergen. De baas daar wilde me graag houden, maar dat mocht niet van de gemeente Apeldoorn en dus kreeg ik ontslag. Ik ben toen naar de rentmeester van de Hoge Veluwe, de heer Memelink, gegaan of er daar werk voor me was. Werk was er wel en ik kon me melden bij de heer Boeschoten, hoofd tuinman. Daar heb ik als eerste gewerkt in de tuin van het jachthuis van de familie Kröller, het Sint Hubertus. De namen van planten en bloemen die heb ik bij Boeschoten wel geleerd. Hij was een hele bekende naam op tuingebied en heeft ook verschillende boeken geschreven. Die tuin was ook prachtig in orde met nog aan allebei de kanten borders. ‘s Zomers liep je de hele dag met water te slepen om alles goed nat te houden. Langs de vijver had je een balustrade met allemaal klimrozen. Die bonden we dan aan en soms knipte ik er ook wat vanaf. Eens kwam mevrouw Kröller aanstappen en die zei: “Dat moet je niet doen, dat moet je niet doen, dat zijn bloemen voor het volgend jaar.” Ik zei: “Ik zal d’r aan denken, mevrouw.”

OLYMPUS DIGITAL CAMERAIk werkte daar samen met Jan Versteeg. Jan was een jaar of vier, vijf ouder dan ik was. Ik heb eerlijk gezegd nooit iemand gehad waarmee ik liever samen mee werkte dan met hem. Hij was echt een joviale vent. De familie Versteeg woonde al in het park en als jong bewoner (Jan was een jaar of 15, 16) ging hij voor het park werken. Hij was nogal vechtlustig en ik weet nog goed dat hij me een keer in de vijver wilde gooien. Ik pakte hem ook goed vast en samen rolde we allebei tot op de rand. Ik denk nog: Als ik ga dan ga jij er ook in. Het speet me toen hij wegging. Na de oorlog ging hij bij het Rijk werken. Een nat pak in die vijver heb ik wel gehad, maar niet door Jan. Langs de vijver liepen grindpaden Om die te herstellen, ging ik met een platte schuit vol grind over de vijver naar de plekken die hersteld moesten worden. Ik was bijna midden op de vijver toen een stel jongens, mensen die bij Sint Hubertus nieuwe leien op het dak aan het leggen waren, het hemd en de broek uittrokken en in het water sprongen. Ze stootten met zijn allen de boot om en daar ging ik met kleren en al en een lading grind. Die boot heeft wel een jaar op de bodem gelegen. Dat grind werd op Terlet gegraven. Dat deel was ook nog van de Hoge Veluwe. Grind en leem, ja. Als je langs Hoog Baarlo kwam, gewoon langs de weg vond je ook allemaal leem. We gebruikten dat veel voor de zandpaden. Langs de Bunt liep nog de sintelweg naar de Deelense Was. Daar stonden ooit ook 7 huizen. Ik liep later nog wel eens door dat buntgras. De plekken waar de huizen hadden gestaan kon je nog goed zien. Ook heb ik nog wel een pulsput gevonden, waar ze hun water vandaan haalden. Die dingen zijn nu allemaal weg, ja dat is wel jammer. De mensen, die daar woonden, zijn allemaal naar Hoenderloo verhuisd. De heer Kröller heeft daar huizen laten bouwen, zoals de Emmahoeve en andere hoeves.

Ik liep daar ook heel graag en keek dan wat er allemaal groeide. Bij de Deelense Was, daar groeide ook nog brekebeen (beenbreek). Brekebeen heb ik verder nergens zien groeien, behalve daar. Gentianen en zonnedauw wel, die stonden ook op andere plekken. Ik ging ook wel met anderen op zoek naar die plekken waar Gentianen en zonnedauw stonden. De mensen konden vaak zelf die plekken niet vinden. Die planten staan graag in de nattigheid en gentianen heb ik zelfs nog wel zien staan op het schietterrein bij Deelen. Ik ben daar nog wel eens als hekwachter geweest, daar bij de ingang Deelen. Daar vlak tegenaan had je dat schietterrein van de militairen en de schietbaan lag tegen de Deelenseweg aan. Daar waren van die heuvels als schietschijven en daar schoten ze in. Nou ja, de hele dag als je daar zat niks anders als paffen. Na het zomerseizoen sloot die ingang weer. Ik viel ook wel in op andere plekken. Dan zat ik wel eens bij de hoofdingang, die man was vaak ziek eigenlijk. Dan kwam Bulten, dat was de hoofdboekhouder, met papieren en dan moest ik alle adressen opschrijven van mensen die een kaartje van het park hadden. Dat was zo’n beetje tijdverdrijf-werk maar wel mooi. Ik was er blij mee dat ik wat te doen had. Het was ook leuk om mensen te zien. Mijn collega’s zag ik in mijn vrije tijd eigenlijk nooit. Ik woonde toen in Harskamp en de meesten waren Hoenderloöers en Otterloërs. Na je werk had je daar dan geen contact mee. Overdag natuurlijk wel. Je kwam ook altijd voor elkaar op. Als je een vrachtje hout most hebben dan gooiden we samen de wagen vol. Een zwager van me werkte bij de Kroondomeinen en die had een grote auto. Dus als die langskwam dan laadden we een vracht op voor mij of voor een ander en ja dan had je weer hout bij je huis. De buren stookten gewoon mee. Ja dat moet je ook doen, wil je een beetje contact houden en zo kwam je ook voor elkaar op. Ook voor collega’s kwam je op.

En toen kwam de oorlog. Ik was militair in die tijd. We lagen in Apeldoorn met het tweede eskadron pantserwagens. Nederland had er zeg maar een stuk of 25, dus ja twee eskadrons. Toen de Duitsers over de grens kwamen, moesten we weg uit Apeldoorn naar Huis ter Heide en daarna naar Den Haag. Ik ben ook nog in Rotterdam geweest. Alles brandde nog en al die dooie mensen op straat. We zaten daar op ‘het Eiland’. Daarvandaan werden we met vrachtwagens naar Rijswijk gebracht en daarna naar Wezep. Daarvandaan kon ik weer naar het park toe. Ik kreeg een brief van het park dat ik daar weer kon beginnen te werken. In de oorlog ben ik ook getrouwd. Dat was in 1944. ’t Was daar vooraan in Ede, die grote villa Sterrenberg, daar zijn we getrouwd. Je kon toen helemaal niks krijgen, geen bonnetje, geen pak niks. De vrouw, die had nog een lap stof en daar heeft ze een mantelpakje van laten maken. We zijn van Harskamp op de fiets naar Ede gegaan. De fietsen hadden we zolang bij café de Bospoort gezet. We wilden lopend naar de Sterrenberg. In het park heb ik toen ongeveer een maand in de toren van Sint Hubertus gezeten. Met al die droogte en de bommen die op Deelen vielen, waren ze bang voor brand. We hadden zogezegd brandwacht. Overal zaten we, ook in Loenen en dan hadden we onderling contact. Maar in die tijd is er nooit brand geweest. De toren waar we zaten, is wel eens door de Engelsen beschoten. De stukken vlogen d’raf.   Met zijn tweeën scholen we dan onder de theekoepel. Mijn broer en ik zijn samen met wat anderen ook wel eens in Otterlo opgepakt. We moesten toen loopgraven graven in Arnhem en omstreken. Daar heb ik wel drie weken gezeten. We zaten dan in Vreedenhoff vlak bij Bronbeek. Die broer van me ging met twee dagen alweer lopen. Door het bos van gemeente Arnhem en dan door het park, terug naar huis. Wij zijn later ook gegaan, maar helemaal over Dieren, Laag Soeren, Loenen en dan zo naar Hoenderloo en Otterlo. Dat was de hele dag lopen.

Daarna ben ik in het bos gaan werken met van de Jagt als baas. Ik had zo’n heel grote motorzaag en daar werkte ik aan de lange laan. Daar stonden toen van die grote Amerikaanse eiken. Die laan was wel 3 of 3,5 kilometer lang en elk jaar werd er een stuk afgezaagd. Zo ging ik ook naar de Kemperberg en andere plekken om te zagen met de motorzaag achterop de fiets. Ik heb een keer gehad bij Hoenderloo, daar was ik bezig om een zwaar stuk bos te zagen. Daar liep ook Herman van Hunen met zijn paard. Hij werkte daar om het hout te slepen. Ik schreeuw nog zo, maar daar zat ie toch bijna onder de boom en zijn paard helemaal. Het was alleen het topje van de boom dus het paard mankeerde niks. Het is ook dom, je gaat er toch niet onder lopen waar je ziet dat gezaagd wordt? Hij deed dat ook nooit weer. Verder was het goed werk. Maar van de Jagt als baas, daar vond ik niet zoveel aan. Hij stond vaak ergens te kijken of je werkte of niet werkte. Ach ja, maar toen ik in het begin kwam werken, deed de heer Memelink dat ook. Ik weet nog dat ik met Jan Versteeg bezig was in de border. Achter die border staan van die grote beuken en ik moest plassen dus ik loop naar dat bos en daar stond Memelink achter zo’n grote boom. Hij liep toen wel gelijk weg. Na Memelink kwam Voûte als directeur, Lex Voûte. Voûte had toen ook een landgoed ‘de Plijmen’, dat is later door het Nationaal park overgenomen. Hij was bioloog en is later naar de hogeschool in Wageningen gegaan. Van Tuijl kwam na Voûte en is er jaren geweest. Dat was voor mij de beste die we gehad hadden als directeur. Goed voor zijn arbeiders en hij hield geld over voor het park. We verdienden toen gewoon, voor gewone mensen. Van Tuijl zei toen: “Jongens, jullie verdienen te weinig.” en we kregen allemaal 20% van ons loon erbij. Het was een bijzondere man. Ik weet nog dat ik op kantoor was voor het een of ander en toen stuurde hij me weg. Hij zei: “D’r uit, d’r uit. ’t Kantoor uit.” Ik zei: “Zolang als ik hier sta, blijf ik hier staan, meneer.” De volgende dag kwam ik hem weer tegen, gaf hij me de hand en was alles weer goed. Hij was echt een leuke kerel en later was hij mijn buurman in Hoenderloo.

Bij van Tuijl heb ik ook nog eens een cursus gevolgd bij de Heidemij in Sonsbeek in Arnhem. Daar leerde je zagen met één man, zelf zagen dus en het moderne werk. Dan begon je midden in het bos en werkte je naar de kant toe en dan later naar de andere kanten. Zo konden ze het hout mooi wegslepen allemaal. Maar dat is nooit helemaal toegepast. Van Tuijl had ook ingebracht dat we met oudjaarsdag allemaal op kantoor moesten komen. Dat was wel leuk dan gaf je iedereen de hand en kreeg je een bonus mee. Dat is later weer afgeschaft. Behalve als ze een stel ontslag wilden geven, dan mocht je allemaal komen. Ik weet nog goed dat we allemaal, de bokken en de geiten, op de binnenplaats van het dienstgebouw moesten komen. Degene die mochten blijven die werden dan aan de ene kant gezet en die ontslag kregen, die werden aan de andere kant gezet. Maar ja er liep ook 70 man personeel en dat was teveel eigenlijk. Nu bleven er 35, 40 over en de rest moest vertrekken. Later waren er wel weer kerstrecepties. Ik kwam er nog wel eens. Je ziet dan een heleboel mensen maar kennen doe je ze niet meer. Vanuit Hoenderloo werkt er denk ik geeneen meer en van Otterlo weet ik het niet.’

 

Beluister hier een fragment van het verhaal

Kijk ook eens op: