Nationaal Park de Hoge Veluwe: ”Dan had je de hele dag herten om je heen.”

Verhaal Dhr. K. (geb. 1932)
Boswerker

Mevrouw K. ontvangt mij hartelijk op deze zonnige dag en laat mij binnen in hun knusse en met deze vrieskou goed verwarmde stacaravan, die achter in de tuin staat van het huis waar ze jarenlang gewoond hebben en dat door hun zoon is overgenomen. De caravan staat temidden van dennenbomen waar alle mogelijke vogels te zien zijn, die daar hun winterkostje komen halen. ’s Ochtends komt er ook een eekhoorn, die zo slim is dat hij het dekseltje van het pindabakje zelf kan open maken.

Tekst Annemieke van Buël, beeld Marianne Jans

‘Eerst heb ik zelfstandig gewerkt: hout slepen met m’n eigen paard. In maart ’57 heb ik ’t paard verkocht en toen ben ik zelf op de Hoge Veluwe gaan werken. Twijgen hakken en zo. Ik stond heel alleen en toen dacht ik: ‘wat hè’k anhaald?’. De eerste dag dat ik er kwam, dat vond ik ‘t  ergste hè. Maar dat duurde niet zo lang, want ik kende veel van die arbeiders vanaf ’t bos. Dat was toen nog wel een behoorlijke groep van 8, 9 man.
De onderlinge verstandhoudingen dat was allemaal prima. En met de bazen ook, dat was allemaal best hoor. Nou ja, ze kwamen op de bromfiets op ’t werk bij ons en dan kwamen ze kijken hoe alles was. Dat was allemaal zo doodgewoon hè. Die waren ook in dienst van ’t park en van de jacht. Maar met de jacht heb ik nooit zo veel meegewerkt, omdat die in ’t zuiden van ’t park zat en ik zat vóórin. Dat waren echte bosbazen en die zeiden dan: ‘Nou, dat moet gebeuren en dat moet gebeuren’. Maar ja, dat deed je dan met groepjes hè. Bomen afmaken of wat anders. Alleen van de directeuren heb ik er vier gehad (hij lacht bij de herinnering). Ze kwamen wel eens in ’t bos, maar niet zo veel. Och, met Oud op Nieuw dan had je daar weer ’n receptie. Dan kwam je weer bij mekaar, dat was eigenlijk alleen voor de bosarbeiders. Het jachtslot was helemaal apart. Met de Kerstdagen, (ook nu nog), dan kom je ook allemaal zowat weer bij mekaar. Moet je ‘t kerstpakket ophalen en zo. ’t Was 20 jaar geleden dat ik weggegaan ben bij de Hoge Veluwe. Oh, je kent er de helft niet meer van, echt niet.

Vroeger had ik zo’n ding, zo’n radio in de auto en ik wist dat een bosbaas bij de brandweer was. Op een keer zat hij in ’t brandweervliegtuigje. Toen het vliegtuig vlak bij huis kwam, heb ik hem voor de grap opgeroepen. Hij gaf wel antwoord, maar hij zei erbij: ‘Dat moet je niet weer doen’ (hij lacht er nog eens smakelijk om). Ik heb ook wel brand meegemaakt. Ik heb m’n eigen wel eens vast gereden met de auto een meter of vijf van de vlammen af. De auto was zo’n 4×4 van de Hoge Veluwe, daar werkte ik alle dagen mee. De politie zei: “Zouden we drukken?” Ik zei: “Nee, dat helpt niet.” en ik zette ‘m in de voorwielaandrijving en dan kon ik de wielen nog weer op lock zetten hè. Ik zeg: “Hou je nou maar vast, want nou springt ie er wel uit.” en hij sprong eruit. Als er brand was, kwamen de  brandweerwagens. Dat wordt omgeroepen.  En dan ging alles aan ’t blussen. Ja, ze kunnen wel water pakken hoor. Er zijn wel vijvers, brandvijvers. Dat ze extra water kunnen pakken. Maar of ze die nog gebruiken ….één is er speciaal voor gemaakt. En dan konden ze nog water halen uit de vijver bij ’t Jachtslot.

SONY DSCVroeger, als je met het paard hout aan het slepen was, dan had je de hele dag de herten om je heen, hè. Ja, die waren helemaal niet bang voor ’t paard, die liepen zo de hele dag om je heen. Och, en toen waren de bossen nog veel mooier als dat ze nu zijn hoor. Ik vind  ’t nu allemaal rotzooi! (met nadruk op dat laatste woord). Allemaal omgewaaide bomen en dooie bomen en als er ‘n stuk hout verkocht wordt, dan gaan de goeie eruit en de dooie die blijven staan… voor de vogels. Vroeger ging er echt ‘n bosploeg door de bossen heen, dooie bomen zagen, en dan kwam ik met ’t paard en dan sleepte ik die eruit naar de weg toe. Eigenlijk heb ik mezelf ook ‘n keer in de knie gezaagd. Nou, ik ben naar huis gegaan, ik heb ‘t verband er omheen gedaan; ik ben weer gegaan en ik ben weer begonnen.

Oh, er is ‘n hoop veranderd! Alle arbeiders die er lopen… allemaal in ’t groen; vroeger had je je eigen kleren aan. En ze hebben allemaal zowat een auto van ’t park…. och man….! Ik deed alles met paard en wagen. Nee, ze hebben nu allemaal ‘n TomTom. Wij moesten alles zó doen. Zoek ’t maar op. Ja, ik ben later chauffeur geworden in ’t park, want de chauffeur die ging weg; die werd gepensioneerd en toen heb ik dat verscheidene jaren gedaan. En dan haalde je vuilnisbakken leeg; ja, en schaftwagens van de jongens verzetten, en dan moest je ‘n keer naar Amsterdam naar de RAI ‘n stand opbouwen voor de Hoge Veluwe. Dat was wel leuk, maar dan moest je weer naar Den Haag om folders naar ’t VVV te brengen. Maar daar vond ik op ’t laatst niks meer aan op die grote wegen. Toen was ik blij dat ik van de auto af kon… dat ik gepensioneerd werd. De bezoekers vroegen wel eens wat aan me, maar ja, omdat ik me er niet in verdiepte wist ik niet veel. Er waren er die zich echt overal in verdiepten, hè. Maar dat heb ik nooit gedaan. Dat interesseerde me niet. Ik beurde ’t geld en dan vond ik ’t goed.

Mevrouw M. en Meneer M. zelf liggen begraven op de Franse Berg en dat is allemaal afgezet en dan moest je daar nieuwe heiplaggen naartoe brengen hè. Dan moest de ouwe hei eraf. Dat was dan dood en dan moesten de jongens nieuwe plaggen steken en die haalde ik dan met auto op met kar er achter en die bracht ik dan naar boven, naar dat graf. Die moesten allemaal weer overnieuw gelegd worden. En vuilnisbakken leeghalen. En soms dan ha’je nog wel eens geluk, dan had je ‘n hoop statiegeldflessen. Er  was er één die werkte ook aan ’t museum en die vent zoop zo. Hij nam alle dagen bier mee uit Hoenderloo en dat dronk hij dan op de Hoge Veluwe op en die was elektricien. Maar die gooide altijd die flesjes in de vuilnisbak en op ’t laatst kon ik in de vuilnisbak niks meer vinden hè. Ik denk: ‘verdorie waar laat ie toch die flesjes?’ En toen zag ik ze van de verte in ’t bos liggen. Had ik ‘n vuilniszak vol. Allemaal bierflesjes. Ja, toen had ik ‘n goeie dag. Maar die hebben ze ook ontslagen, want dat kon niet met dat elektrisch allemaal.
Je zou denken dat de mensen vroeger netter waren, maar dat was niet zo hoor. Ja, echt waar, er werd best wat weggegooid. Ik had ‘n papierprikker bij me en als ik dan wat zag liggen dan stopte ik en prikte ik ’t op. Maar op ’t laatst hadden ze ’s zomers van die schooljongens voor papier prikken en die werden betaald.

Mijn vader werkte op de Hoge Veluwe met paarden. Die waren van de Hoge Veluwe, maar toen paarden weg gingen, ben ik zo ingeschoven met m’n eigen paard. Je mocht ook nooit in ’t bos komen als mevr. M. thuis was. Als zij ging paardrijden  – dat heeft mijn vader vaak genoeg verteld – dan moesten de arbeiders allemaal ’t bos uit. Die wou ze niet zien. Dat is wat eigenlijk hè. Er werkten lui van Presikhaaf van Arnhem op de Hoge Veluwe en daar was mijn vader ook baas bij en die hielp hij zelf ook met werken hoor’.

Toen kwamen de witte fietsen. Eerst kochten ze er 50 voor de mensen. Nou ja, die lagen door ’t hele park heen zowat. Ze brachten ze niet allemaal terug dus en dan ging ik met de auto rond; de fietspaden helemaal langs, de wegen en zo. En de fietsen weer ophalen en degene die kapot waren die repareerde ik ook. Ja, dat deed ik er ook bij. Toen ’t tweede jaar werden ‘t er honderd en dan kun je ’t niet meer aan hè. Toen hebben ze een autootje erbij gekocht, ‘n vrachtwagentje en ‘n arbeider….. en die man die reed dan ’t park helemaal rond en die repareerde ook de fietsen. Als ik ’t park rond reed voor ’t vuilnis en ik zag een fiets staan, dan laaide ik ‘m ook op en dan bracht ik ‘m weer terug naar de standplaats. Maar ja, dat is allemaal zo veranderd. Ze hebben er nu ruim vijftienhonderd, geloof ik.

Ik werkte ook bij mensen in Hoenderloo. Ploegen, mesten, van alles deed ik. Ik reed op de Miggelberg (Miggelenberg). Op die camping moest je van alles rondbrengen: de koffers en alles wat ze hebben moesten, bracht ik zaterdag rond met ’t paard.

Het was leuk werk, hoor. Het was allemaal nog niet zo jachterig.’

Kijk ook eens op: