Landgoed het Enzerinck: ‘De mevrouw zei altijd, jullie hoeven hier nooit weg.’

De heer Breuker

Willem Breuker
Zoon tuinbaas

Vanaf de Almenseweg bij Vorden, ga je tussen twee bakstenen pijlers met twee zandstenen vazen door, dan volg je de onverharde oprijlaan. Je passeert het grote landhuis, het Enzerinck en vlak daarnaast verschijnt het witte Koetshuis, het oude Enzerinck. In het rechter deel van het huis woont Willem Breuker, al zijn hele leven. De tuin en de boomgaard zijn in winterslaap. Binnen is het warm en knus. Een extra houtblok wordt  in de kachel gelegd. Vanuit het zonnige raam is het uitzicht mooi en wijds.
Auteur Irma Vollenga

‘Al 81 jaar woon ik in dit huis op het landgoed het Enzerinck. Eerst in het andere deel van het huis, aan de andere kant van de gang. In 1994 hebben we dit deel van het huis kunnen kopen. De mevrouw, de eigenaresse die toen in Engeland woonde, zei altijd: “Jullie hoeven hier nooit weg.” Nou ja, dat is mondeling natuurlijk. Mijn vader was tuinman hier voor 1938, bij de familie van Lennep. In die tijd waren ze met 5 man voor het bos en de tuin.

Toen, in 1938, is de oude mevrouw van Lennep gestorven. Een zoon, de jonker zeiden we altijd, woonde hier nog een tijdje, maar hij is later naar Amerika gegaan. Als aandenken hebben we toen deze kast gekregen. In 1938 heeft mijn vader het huis kunnen pachten met zes en een halve hectare grond. Ja, en dan moest je maar zien dat je rond kwam, want de pacht moest wel opgebracht worden. Ik weet nog wel dat we een pacht betaalden van 300 gulden, dat was toen in die dagen een hoop geld.

SONY DSC Mijn vader was tuinman van zijn vak en hij verbouwde van alles, koolplanten, tomatenplanten, alle planten die je maar bedenken kunt. En dan voor de buurt, dan was het: “Hendrik,” zo heette mijn vader, “heb je nog kool of heb je nog een paar van dit of van dat?” O, ja dat had hij wel. Er waren ook allemaal bessenstruiken en een hoop aspergebedden. We hadden ook een stuk of wat kippen en we hadden ook 6 koeien. De melk ging naar de boterfabriek in Vorden, die is in 1978 gesloten. De melkfabriek en alles moest allemaal weg. En varkens hadden we ook. Kleine biggetjes deden we zelf fokken.  Als het varken geslacht moest worden, kwam de slachter aan huis. Dan stond het varken op de ladder, meestal voor het huis. In de oorlog mochten we maar één varken slachten. Dan wachten we tot ie dik genoeg was en dan, echt waar, zat er spek op van wel 10 centimeter. In de oorlog was je daar gek op. Je kon er pannenkoeken in bakken en je had zelf meel van rogge en haver. Dan ging je naar Hengelo om de haver te laten pletten en dan was het havermout. Om het meel te malen hadden we zelf een machine met een kleine motor eraan.

In de oorlog was het zo dat iedere dag een controleur kon komen van de landbouw. En dat waren wel zulke gemene kerels. Dat waren allemaal van die opgefokte NSB’ers. In de oorlog hadden we hier altijd zo’n grote hond, een Duitse herder en die kon net van zijn hok tot de hoek van de deel komen. En toen kwamen ze weer, om te kijken of je niet te veel varkens had, dan keken ze de hele rommel na. Maar ze hadden de hond niet in de gaten, die kon bij de hoek van het huis komen en het was maar effe dan had die kerel de broek uit. In de oorlog moest je uitkijken. Mijn vader zei altijd : “Willem, denk erom, die buurman ginds en die buurman daarachter, zeg niks te veel want dan heb je kans dat de soldaten komen en dan nemen ze je mee.” Toen ik 13 werd was het afgelopen met de school. In de school kwamen allemaal Poolse krijgsgevangenen. Mijn vader werd toen ziek, hij kreeg buikvliesontsteking en hij wou absoluut niet in het ziekenhuis zijn. Hij wou thuisblijven, laat me hier maar dood gaan, laten we maar zeggen. Toen heb ik een half jaar lang bij de boterfabriek een staaf ijs gehaald. Dat moest hij dan op zijn buik hebben. Dat snap je niet wat een ellende dat was, maar hij is wel weer beter geworden. Ik was toen 13 jaar en moest met mijn moeder melken en alles doen eigenlijk.

SONY DSCIn 1926 is de boomgaard aangeplant. Een paar bomen staan er nog wel. Conference peren staan er nog en Winterjannen. Dat is een kleipeer om te stoven. Een paar walnoten staan er nog, een stuk of vier. Alle jaren komen daar nog noten aan. Er stonden ook appels, meestal goudreinetten. De meesten die daar stonden waren goudreinetten met zo’n rode kleur, echt oud. En dan Vincent van Engeland, dat is ook een beroemde boom. Dat waren langwerpige appels met een heel groot klokhuis. Grijze renette stond er  en Cox’s Orange Pepin en Gravenstein. Gravenstein dat is ook een heel oud ras.

In 1934 hebben ze de kas, die er nog staat, gebouwd, dus dat was nog eerder. Voor een kropje sla met de kerst. De ketel die in de kas stond voor de verwarming, die is in de oorlog naar mevrouw van Wassenaer, een dochter van de oude van Lennep, gegaan. Die heeft de ketel toen gebruikt om haar huis in het westen te verwarmen. Toen mijn vader tuinman en boswachter was voor de oude meneer hier, moest hij 5 mensen zeggen wat ze moesten doen. Maar de oude meneer van Lennep zei dan: “De mannen mogen in het bos wel roken, maar denk erom dat ze alle pennetjes oprapen en meenemen. Ik wil geen pennetje zien in het bos.” Tegenwoordig komen ze met van die hele grote lummels van machines in het bos, daar krijg je tranen van in je ogen.
Ik heb ook nog geholpen met bomen kappen. Met twee man stond je dan een dag te hakken op een beuk van 200 jaar oud. Een beuk wortelt oppervlakkig, dus al die wortels moest je weghakken. Maar die stam wat dacht je daarvan. Je had er bij van meer dan anderhalve meter doorsnee. Met twee man met de trekzaag kon je dan net rond. Je kan je niet voorstellen hoe dat was.
In de oorlog werd het beukenhout gebruikt voor generator hout. Met de cirkelzaag werd het in allemaal kleine blokjes gezaagd. De tractoren hadden in de oorlog een gasgenerator. Die moest je ’s morgens eerst aanmaken en dan ging het keteltje, tik, tik, tik, tik. Totdat het heel hard ging, dan kwam er gas en met dat gas konden ze rijden of iets anders doen. Ene keer was er een man, die was bij de ondergrondse, dat weet ik nu wel, maar toen wist ik dat niet. Maar die had met die kleine blokjes zagen, drie vingers afgezaagd. Drie vingers lagen op de band bij het hout en toen raakte hij bewusteloos.

In het huis gebruikten ze ook wel hout, voor de open haard, maar onderin de kelder stond een ketel voor cokes verwarming. Ja, dat deed mijn vader er ook nog bij. In de oorlog moest je ook alles dicht hebben he ’s avonds, er mocht geen licht uitstralen. Maar op een keer is er ’s avonds een vliegmachine geweest en die heeft een vrouw doodgeschoten, die in de ronding van het kasteel stond. Dat heeft een Engelse machine gedaan zeiden ze, maar daar geloof ik niks van, dat hebben de Duitsers zelf gedaan. Want de Duitsers hadden allemaal munitie van staal, zeg maar van ijzer. En de Canadezen hadden in die machinegeweren allemaal koper. Daarom geloof ik dat niet, want die kogels zaten allemaal in het land later. Als je ging ploegen, dan kon je ze allemaal in het land vinden. Het was allemaal ijzer, er was niet een koperen bij. Ik was 15 toen de oorlog afliep en toen zei mijn moeder: “Nou moet je de korte boks uitdoen en je lange broek aantrekken.” In de oorlog had ik altijd een korte broek aan, want dan leek je niet zo oud, snap je.

Er waren ook onderduikers op het landgoed. Hier in Grootvadershuisje zat wel 7 man ’s nachts. En in de wei erachter stond een grote schuur, een schapenschuur en dan zeiden we wel: “Goh er is al weer stro weggehaald vandaag.” Maar als kind wist je gelukkig niet alles. Op 10 mei 1940 was ik aan het meikever schudden, daarginds aan de weg bij de eiken. Toen kwam er een Duitse Henschell over. Die vloog zo laag dat hij onder de elektriciteitsdraden door ging en het net leek of hij even op dat weiland liep. Dat meikever schudden deden veel jongens en meisjes. Dan had je een molenaar, een olieslager en een bakker, allemaal meikevers, maar verschillend in grote en kleur. In een ijzeren doos met een paar gaatjes nam je ze mee naar school. En daar ging je ze ruilen, ik wil die graag hebben en die graag, o, en dan wil ik graag die.

De bewoners van het huis, daar konden we altijd goed mee opschieten, of het meneer was of een jonker, daar hebben we altijd goed mee gekund. Ik was anderhalf toen mijn moeder tbc aan haar been kreeg. Die is toen anderhalf jaar in Laren, Noord Holland geweest, bij een arts, dr. Tomassen. Ze is weer helemaal beter geworden, alleen de buurt zei: “Oh, ga daar maar niet naar toe want daar is wat aan de hand.” De oude meneer van Lennep heeft het toen allemaal bekostigd. Die anderhalf jaar plus wat er nog meer aan vast zat. Daar ben ik hem altijd nog erg dankbaar voor. Ja de contacten waren erg goed. Ik weet nog wel met Prinsjesdag, dan mochten mijn vader en moeder altijd mee naar den Haag, naar het huis van mevrouw van Wassenaer. En daar mochten ze dan voor het raam zitten, vlak aan de weg, kijken naar de optocht. Zodoende, ze hoorden er altijd bij. De jonker en ik, hij was net zo oud als ik, zaten eens ’s avonds op de bank en dan zei hij: “Willem, moet je eens kijken naar dat onweer, dat is toch prachtig allemaal.” En dan kwam hij zo op een gesprek. Dan zei hij: “Ik kan het ook niet helpen dat ik geboren ben bij mijn vader en moeder die van adel zijn. Dat had jij ook kunnen wezen.”
Toen de familie in 1938 wegging, is er aan het onderhoud van het bos niet veel meer gedaan. Er was nog een man, Huisman heette hij, die vroeger bij meneer in dienst was. Dan had hij zo’n rood jasje aan als er een of andere hoogheid kwam. Later deed hij wel een beetje aan het onderhoud van het bos, maar hij had er niet zoveel verstand van. Er is nog een foto van mijn vader in een roeiboot op de vijver. Ja, daar lag een botenhuis in de grote vijver. Vroeger zaten er palingen in zo dik als je pols en snoek. Van allerlei soorten vis zat er in. Nu zit er niks meer in en zomers staat hij vrijwel droog. Het pompstation hierachter pompt het water 80 meter diep uit de grond, miljoenen liters. Nou, reken er maar op dat dan ook de bovenste laag droog komt te staan. En het is ook zo, wij wonen hier zes en een halve meter hoger als Zutphen. Dus als het ontzettend hard regent, is alles zo weg. Vroeger waren er smalle slootjes en nu zijn ze 4-5 meter breed. Dat moest toen voor de ruilverkaveling. En wat hebben ze daarmee nou gewonnen? Harde wegen en zo, dat is wel mooi maar verder is het allemaal weggegooid geld geweest. Voor het hele park en de vijvers is dat jammer. Nou gaat Natuurmonumenten het parkbos, met de vijvers en zo, gelukkig weer herstellen.

Kijk ook eens op: