Landgoed de Wiersse: ‘En de zwanen trokken de lakens door de beek!’

Willem Kok
Zoon opzichter

Op 23 mei 2011 vond in het buurtschap Medler (bij Vorden) een gesprek plaats tussen Bart Jan van Rossum, Marie-Anne Vroom en de heer Wim Kok en Mevrouw Grada Kok-Versteege. Op de achtergrond voerde intussen de huishoudelijke hulp haar taken uit. Aan het eind van het gesprek kregen de interviewers een map mee “zijn missaal” zoals Willem Kok het zelf noemde. Daarin had hij in de loop der jaren zijn herinneringen opgeschreven, zodat nog eens kon worden nagelezen wat er allemaal in het verleden gebeurd was. Als kind woonde Willem Kok op het landgoed de Wiersse, waar zijn vader opzichter was. Een paar dagen na het interview overleed de heer Kok.
Auteur Margreet Gründemann

SONY DSC ‘Ik woonde als kind op de Nijhof met mijn ouders, broers en mijn zus. Daar hangt nog een foto, mooi hè? Mijn vader was een beetje rentmeester daar op de Wiersse. Mijn vrouw en ik zijn op de Wiersse getrouwd en daarna zijn we in 1948 naar een nieuwe boerderij gegaan in het buitengebied bij Borculo. We zijn nou al drieënzestig jaar getrouwd. Op de Wiersse heb ik veel paardenwerk op de boerderij gedaan. Met paarden hout uit het bos halen en brengen. En naar de zagerij brengen. Gatacre woonde toen op de Wiersse. Maar in de oorlog was hij niet hier, toen waren ze weg. Naar Engeland. En toen waren we met het hele spul alleen. De Wiersse was toen in Duits bezit. Ik moest altijd de post afgeven, verder hadden we er niets mee te doen. Later zijn die Duitsers in het Huis gaan wonen. Dat hebben ze mooi op z’n kop gezet. Eerst ging ’t nog lang goed, maar tegen Pasen ging ‘t mis. Maar daar moet je niet over praten…. Je werd niet netjes behandeld. Nee.

Toen ze weg waren, kwamen meneer en mevrouw weer terug. Want die waren 4 jaar weggeweest. Er waren twee gebouwen en één hebben de Duitsers in de lucht laten vliegen. Ik zeg: waarom? Maar, dat moest weg en het was nog lief spul. Dat was heel jammer. Dat gebouw was in elkaar gezakt en toen moesten wij dat met karren allemaal naar achter wegbrengen. Daar maakten we een grote hoop. En dan gingen we er iedere keer weer overheen tot je zó een berg had. Nou is die weg. Hebben we in de beek gegooid. Met de kanten ophogen. Bij de stuw denderden we dat er met drie of vier lui in. Als er in de oorlog ‘s avonds razzia’s waren dan gingen we altijd naar ‘t Huis. We sliepen er ‘s nachts. Toen stond ’t nog leeg. De Duitsers kwamen er pas later in. Er was iemand die er over ging. Ik meende altijd dat het een volledige Duitser was en later bleek dat ‘t zo’n leraar Duits was. Die kwam uit Winterswijk. Niet dat die razzia’s om de andere dag kwamen, maar het gebeurde wel eens. We werden dan gewaarschuwd. De buurjongens, alles ging mee. Mijn ouders bleven dan thuis en zeiden: “Ze zijn niet thuis!”

Als jongens deden we van alles; we gingen vissen in de beek. We konden er niet zwemmen, levensgevaarlijk. We hadden een stuw bie huus, hè? Die is er nog. Hij is gebouwd in 1924. Een nieuwe stuw. Ja die is nog in goeie orde. Met de bouw waren ze wel even bezig. Dan moest al dat zand weer aan de kant. Een stuw is er altijd wel geweest, maar niet zo groot. Je moest hem met de hand bedienen. Dan moest je draaien. Ja, daar moest je altijd aan denken als het hoog water werd en zo, dat het niet te hoog werd. Want dan kon het in de kelders komen op de Wiersse. Dat kwam het dikwijls zat. Ja, en met de stuw kon je dat regelen. En toen die stuw gebouwd werd en toen het huis verbouwd werd, heb ik wel meegemaakt dat ‘s avonds op de oprit wel 50 man naar huis gingen! Ja, daar moet je vandaag niet mee aan komen. Wie geen werk had, die ging naar de Wiersse. Ze kwamen van Lochem en Zutphen en overal vandaan. Ja, het was een gedoe.

SONY DSCHet eten kwam wel veel van het land, maar hier was een winkel op de hoek. In ‘t Medler…. In het café. Nee, dat ging wel goed. Wat niet gekocht hoefde te worden dat waren eieren en melk. Dat hadden we zat. In de oorlog hebben we wel zelf boter gemaakt. Toen maakten we ook zelf kaas. Ja dat ging best. De directeur van de boterfabriek die leerde ons dat. Voor boter deed je gewoon melk in bussen en dan deed je er zo’n karn in en dan moest je zelf karnen tot de boter boven kwam en dan nam je de boter er af. Daarna moest het met water gewassen worden zodat het zuur er een beetje afging. ’T was voor eigen gebruik. Brood bakken, dat deden we in huus wel in de oven zo. Maar dat deed mijn ene broer. Dat was een beetje een bakker. Ja aan niets geen gebrek hè! De Duitsers hebben één kelder met wijnflessen opgemaakt. Een hele kelder! Maar er zat nog een tweede kelder. Er was een deur daar in de gang maar daar hingen mantels en gerei voor en daar liepen ze maar stil langs. Ze hadden er geen erg in. Ja, idioten waren het. Mijn broer had zo’n 80 flessen cognac verstopt. Ja we hadden allemaal verschillende dingen. Er was ook zilvergoed wat eerst naar Amsterdam is gestuurd voor bewaring. Later bleek dat niet vertrouwd en hebben we het weer opgehaald. Bij ons huis, daar zijn van die dichte dennen, en daar hebben we een betonnen ring in de grond laten zakken en daar hebben we alles ingepakt. Toen we het er na de oorlog uit haalden ritselde het papier ons nog in de hand. En het had er wel drie jaar ingezeten! Na een maand zagen we met angst en beven dat die Duitsers van die eenmansgaten gingen graven. Ze zaten er heel dicht bij. Ik dacht: “Nou, zo kommen ze d’r op hoor!” Maar ze hebben het nooit ontdekt.

Mijn vader joeg veel. Bijna alle dagen. Mien vaders geweren hingen aan de muur. Ja, hij heeft van alles geschoten. Eenden, …en er waren wel herten, maar niet zoveel als nu. Nu bunt er veel en veel meer. Hij kon hazen aftrekken, hij kon wild schoonmaken, ja dat kon hij goed. Nou! Ik heb een beetje gejaagd, een paar jaar. Mijn broer ook twee jaar. Wij mochten alleen de eerste twee jaar mee en dan was ’t weer afgelopen, dan moest je een akte hebben en een akte dat kostte veel. Fazanten hebben we veel gehad. Mijn vader had er wel tweehonderd. Die zaten in een grote gazen kooi. Toen het tijd was, toen meneer zei: “Zet het hek maar los en dan schieten we ze met de herfst”, hadden ze er zolang in gezeten, dat ze niet eens wouwen vliegen. Nee, van vliegen daar wolden ze niks van weten. De eieren kwamen uit Frankrijk. Ja, ‘t waren wel mooie beesten met witte kringen om de hals, enzo. Ik weet nog dat ik op de ploeg zat, toen dacht ik: hoeveel lopen d’r eigenlijk? En toen liepen er 80.

SONY DSCElektriciteit hebben we gehad vanaf 1924. Ja, dat was vroeg. Anders hadden we het niet gekregen. Dat komt omdat de corporatie hierachter, graan wilde gaan malen en die vroeg dat aan. En toen kwam het bij ons. Wij woonden er tussen in en toen ging ‘t naar de Wiersse en van de Wiersse ging ‘t naar de boterfabriek. Dus die hadden er allemaal belang bij. Maar elektrische lampen, ja.. Dat hadden we toen natuurlijk nog niet, maar een jaar later toen kregen ze wel door dat ’t belangrijk werd. Toen kwamen ze vlot ter been. Ja, ja toen veranderde alles. Daarvóór kon je maar niet zo maar de wasmachine aanzetten. Als je wist hoe dat allemaal ging.. oh, oh, oh. Wat moesten die mensen veel doen. Ja de was: dat was een hele toer. Eerst werd alles in een grote kuip gedaan, een heleboel, van drie weken. Ja, er werd alle weken niet gewassen hoor! Je had een wagen vol zowat en dan maakten we een bak vol. Een grote bak met een stop onderin de bodem en daar kon je een emmer onder zetten en dan kon je iedere keer het water eruit halen. Dat werd weer opgewarmd en dan moest het er weer op en dan moest ’t nog meer weken. Het wassen, dat deden ze niet met een wasmachine! We gingen met twee mannen draaien. Aan deze kant één en aan de andere kant één. Met zo’n stok een beetje in ’t rond draaien. In een grote fornuispot werd alle water opgewarmd. Die pot die stond in een andere pot, waaronder gestookt werd. Als je dat nu weer doen moest, och, och! En dan werd een grote plank aan de beek gespannen, de beek liep langs het huis en mijn moeder moest het dan opspoelen aan de beek. Daar waar ze staan kon. Ja, dat was wat. En een paar grote zwanen zwommen daar rond en die riep mijn moeder maar en die kwamen en die trokken dan de lakens door de beek! Ha, ha.

Ik was nog te jong om mee te draaien toen, maar heb het wel vaak gezien. We hadden natuurlijk twee knechten. Die woonden bij ons in huis. Ze sliepen nog in de bedstee. Die knechten moesten mijn vader helpen met melken, en zo. Ze verdienden zo’n 400 gulden in het jaar. Ik had een eigen kamer. Daar zat ook een bedstede in. Ik weet nog dat ik ‘m er later uitgebroken heb. Ik zeg: “Wat doen we met dat ding?” Er was ook nog een kamer waar meneer en mevrouw ingingen als ze kwamen. Ze zijn een tijdje bij ons geweest. Dan sliepen ze bij Hotel Avenarius en dan kwamen ze daags bij ons bie huus. Er was toen iets met de belastingen van het Huis. De Wiersse was vroeger van twee eigenaren. Het was niet dit stuk alleen. Ik kan wel aanwijzen waar het allemaal langsliep. De boerderij die is vroeger gezet door Baron van Heeckeren. Maar die heeft er misschien we nooit gewoond. Dan was er Jonkheer van Valkenburg uit Amsterdam. Daar hebben ze het van gekocht. Toen kregen ze de kans om allebei de stukken te kopen. Mooi dat ze dat hebben gedaan. Maar vandaag worden die landgoederen zo groot, dat kan haast niet bekostigd worden hè?

Ja, en toen hebben we de grote tuin aangelegd, maar er stonden nog een paar boerderijen in. De Witte Olifant die zit nu achterin en vroeger had je nog Scholten, die had een boerderij vlak bij het kasteel. Dat is allemaal weg, dat is allemaal bij de tuin aan gemaakt. Vroeger was ‘t boerenspul! Ze reden met de melkwagen door van alles heen. Ja, niets weerd, maar meneer heeft er veel aan gedaan. We hebben heel veel bomen geplant en ook grote, nou! Dat we dachten: dat kan nooit. Maar het is nu prachtig die tuin met die rododendrons. We gaan er zaterdag nog eens kijken.’

Kijk ook eens op: