Landgoed de Essenburg: ”Je botten gaan zeer doen als je ze niet gebruikt.”

  LandgoedKleinEssenburg_DriesPap_AgnesBurema_IMG_2891_www
Dries Pap (geb. 1936)
Loonwerker

Buiten is het guur en koud. Naast een rij nieuwbouw huizen staat de hoeve van Dries Pap. Aan de rechterkant woont zijn broer met familie en aan de linkerkant woont hijzelf. Achter de boerderij reikt het grasland tot aan het IJsselmeer. Bij mooi weer zie je de schepen. De ouderwetse kachel geeft een behaaglijke warmte. De eettafel staat in het midden van de kamer. De klok slaat, we lijken terug in de tijd. Vooral als Dries zijn verhalen vertelt over het leven op zijn boerderij in Hierden. Met zijn enthousiasme komt de tijd van vijftig ,zestig jaar geleden tot leven. Naast het werk op de boerderij is hij adviseur van een kwekerij in Hierden. Tijdens het interview komt een buurman langs die hooi wil. Na ons gesprek klimt Dries op een ladder om balen hooi naar beneden te brengen.

Tekst en beeld Agnes Burema

‘Ik ben hier geboren in 1936 en ik ben de vierde generatie die op de boerderij zit. Mijn moeder was een Haklander en toen heeft mijn vader de boerderij gekocht van haar vader. Van deze boerderij staan er nog twee op de Veluwe. Mijn vader en moeder zeiden, je moet nooit de stijl gaan verbreken. Het is een monumentaal pand. Ik heb alles gelaten zoals het was. We hebben veel druk van buitenaf gehad om hier huizen omheen te zetten, ook aan de achterkant. We hebben toen heel goed geprotesteerd bij de provincie en toen bij de staten en toen is dat afgeketst. Er is hier ook een kerkenpad naast, dat gaan ze nu ook herstellen. Dat kerkenpad was er al, toen mijn grootvader nog leefde. Mijn vader heeft daar nog een heg geplaatst zo’n vijftig jaar terug. De kerk was hier (hij wijst met zijn hand richting kerk) en van die kanten kwamen ze hier naar de kerk, dan zag je die mensen lopen als het koren er af was. In boerendracht de een met een witte muts op en een ander met een zwarte muts op en in verschillende kledij, hè. Ja ik heb me daar altijd hevig in verdiept. We moeten doorvertellen hoe het was, anders weten de mensen dat straks niet meer.

Er moeLandgoedKleinEssenburg_DriesPap_AgnesBurema_IMG_2889_wwwst altijd hard gewerkt worden: vader stond al om vier uur op om naar het land te gaan. Ik herinner me dat mijn moeder met een juk op haar schouders, met twee akers( dat zijn melkemmers), elke dag naar de wei liep om koeien te melken. Die wei lag aan de andere kant van het landgoed de Essenburg, wel twee kilometer lopen. Als ze dan thuis kwam met de emmers vol melk dan karnde ze de melk. De boter en karnemelk was voor ons en wat over was van de karnemelk ging naar de varkens. Voor dat mijn moeder trouwde, diende ze op huize Rakhorst op het landgoed Essenburg bij mijnheer Holdert. Die was directeur van de telegraaf geweest. Toen mijn vader en moeder trouwde nam tante Wim de taak over. Die tante Wim heeft de familie Holdert 65 jaar gediend. Ze heeft nog een heul feest gehad. Mijnheer Holdert gaf een feest omdat ze nog steeds de oude mijnheer en mevrouw verzorgde. Nadien kwam een nieuwe generatie. Mijn vader hielp ook op de landgoederen en ik ook. Op klein Essenburg bij Mijnheer Laurens werkte we ook. Hij had een prachtig stel paarden en een arrenslee. Mijn vader gooide voor de paarden het hooi op zolder en de kinderen moesten het dan verspreiden want balen stro hadden ze toen nog niet. We zorgde ook voor de tuin en hielden het bos bij. Ook de schoorsteen van het huis veegde we. Scheumen heette dat. Zaterdags kwam mijnheer Laurens dan wat los geld brengen voor het werk wat we deden. Nog steeds doe ik onderhoud op het landgoederen.

Alle kinderen hielpen mee op het land vanaf 10,11,12 jaar. Je wordt daar sterk van. We hadden nooit last van spierpijn. Nu nog werk ik graag op het land, als het wat ruw is pak ik de hark en dan maak ik het glad. Dat vind ik het mooie van het boerenwerk. Sommige boeren zeggen dan: ”Waarom doe je het met de hand, dat kost je je botten.” “Je botten gaan zeer doen als je ze niet gebruikt”, zeg ik dan. Mijn vader werkte nog tot dat hij 94 was en mijn moeder is 97 geworden en ze deden bijna alles lopend. Ik wilde ze wel met de auto brengen als ze op visite gingen, maar dan zeiden ze: “Ga jij maar naar het land, je hebt het druk genoeg en wij kunnen nog best lopen”. Kijk, daar staan ze nog op de foto toen ze 65 jaar getrouwd waren. Ze liepen altijd nog in klederdracht. Ze waren heel ouderwets en heel streng en daar ben ik ze nog altijd dankbaar voor. Tot hun dood een aantal jaren geleden woonden we samen.

LandgoedKleinEssenburg_DriesPap_AgnesBurema_IMG_2893_wwwWe hadden 40 à 50 melkkoeien en wij als kinderen hielpen mee, we hielpen bij de oogst en bij de verzorging van de koeien. Als de koeien op stal stonden moesten de kinderen op zaterdag voer voor ze klaar leggen in voerrillen. Voor de zondag moest alles klaar zijn. Er werd geoogst met een zicht (landbouwgereedschap). Je maaide allemaal bosjes en die moest je binden en dan zette je die in schoven, gasten noemde we die. Zo allemaal tegen elkaar aan en als het een week mooi weer was, dan ging het naar huis en in de hooiberg. Als we hartje zomer op het land waren, dan bakte mijn moeder pannenkoeken. Ze sneed de stapel in vieren en dan kon je zo de pannenkoeken op het land opeten. Dan konden we doorgaan, het was allemaal tijdverdrijf hè. Tijd was kostbaar.

Wij hadden hier drie grote hooibergen bij elkaar staan en dan kon de dorsmachine er precies tussen en dan kon je links en rechts opsteken. Dan was het droog en werd het koren gedorst en het stro ging naar de zelfbinder. Het koren werd onderverdeeld in best, grof,minder en onkruid. Mijn vader had altijd veel koren, hij was meer een bouwboer dan een veeboer. De dorsmachine was er van acht uur morgens tot vijf uur. Iedereen hielp mee: de boeren uit de omtrek kwamen helpen: Alle buren, dat was burenplicht. Mijn zus hielp binden, mijn oudste broer en ik gingen ook maaien bij andere boeren. We hebben het goed geleerd van mijn vader.

In de winter sneden we het stro op een stro-mikke, dat is al heel oud. Je gebruikt daarvoor een stam met twee gevorkte takken. Misschien ga ik er nog eens een keer maken, ik heb al een stuk hout op het oog. Nadien kregen we een sniebank. Maar op een stro-mikke ging het beter, die mik stond dan voor je en dan sneed je zo shuut, fuut het stro door. Het mes was vlijmscherp met twee handvatten eraan en je sneed het hele weekend, hele pollen drie lagen lang. Dan kon je de koeien strooien en de paarden strooien, dat was wel zwaar werk. Later kregen we een hakselmachine.

De gerst verbouw ik nog ouderwets. Eerst haal ik de kweek eruit met een kweekploeg achter de trekker. Ik doe dat altijd linksom en rechtsom en voordat ik ga zaaien, ga ik ploegen. Dan woel ik de grond met de machine zo’n zestig centimeter los. Een hoop boeren zeggen: “Waarom woel je toch?” Het kost je veel tijd, maar je oogst is er wel een halve meter langer van. Ik gebruik oude stalmest, die heb ik eerst op de “pluus” gezet. Dat is het beste, hoor. Daar zit structuur in, daar zit humus in en is vochthoudend. Mesten is belangrijk, je moet ook niet teveel mesten. Daarom laat ik het elke vier jaar meten. De grond is ook ontgonnen en het ligt nu dertig centimeter lager dan zeventig jaar terug. De boer waar ik het van pacht had liever zaad dan grasland, grasland heb ik zelf genoeg. Ik heb er beste “garst”, dat is gerst weet je wel. Mijn gerst is ook heel gelijkmatig: het lijkt wel geschoren. De loonwerker wil het ook wel kopen, maar ik gebruik de gerst voor mijn eigen vleeskoeien, daar doen ze het goed op.

Als ik bij de gerst kom, zoals in juni, dan zie je die mooie zilver kleur. De ene keer is het mooi zilver, dan is het weer wat lichter dan weer wat donkerder, dat mooie. Net als of het met de schaar geknipt is hè. Maar als de gerst riep is, dan hangt ze zo mooi, dan zie je al die halmpjes zo mooi naar beneden hangen dan zegt ze: ”We zijn tevreden, maai ons maar af.”

Het boerenleven is machtig interessant. Ik zie het ook altijd af, dat had mijn vader ook, als je dan bezig bent met de schop of de trekker dan zie je voor je hoe alles groeit.

In de schuur zitten uilen. Nu niet hoor, want nu zijn de uilen buiten. Maar ze nestelen in de schuur in mei, juni. Dan wil ik er niemand bij hebben. Van die uilenkijkers wil ik niet. We hebben hier ook drie soorten vleermuizen. Sommigen zijn zo groot als spreeuwen. Die willen hier wezen, lijkt wel. Voor veertien dagen terug toen het mooi weer kwam, kwamen zo de vleermuizen voor de dag. Nou zie ik er een enkele vliegen,maar toen ’s-avonds zag ik ze allemaal om de schijnwerpers. Toen waren er al insecten, maar nu is het te koud. Ooievaars waren er van de week ook al. Die hebben een nest op de Oostermeentweg. En stekelvarkens zie je hier ook regelmatig, maar nu niet, het is nog te koud denk ik. Je moet ook nog maar even een ritje over het landgoed maken, het is hier zo mooi.’

LandgoedKleinEssenburg_DriesPap_AgnesBurema_IMG_2890_wwwNadat het hooi van de zolder is gegooid, rijden we door het landschap, langs Kasteel de Essenburg en de boerderijen en landhuizen er om heen. Hij wijst op de windhaag langs de bosrand. ‘Dat is omdat de bladeren niet in de wei terecht komen, de haag houdt de bladeren tegen’, zegt hij. Terug bij de boerderij geeft hij mij 6 eitjes. ‘Zulke heb je nog nooit geproefd.’ Het is bijna Pasen. De guurte van de ochtend is weggeblazen door zijn hartverwarmend verhaal.

Kijk ook eens op: