Landgoed Ampsen: ‘Wij blijven bosbouw plegen.’

SONY DSC

Rudolf Van Weede
Eigenaar

 De heer van Weede werd geboren in 1931. Hij studeerde  rechten en heeft o.a. bij Shell gewerkt. Door zijn werk heeft hij ruim 16 jaar in het buitenland gewerkt: in Venezuela, Curaçao en Cambodja. In 1980, na het overlijden van de zuster van zijn moeder, die het landgoed toen bezat, is Ampsen in bezit gekomen van Jonkheer en mevrouw R.E.W. van Weede – van den Wall Bake. Zij hebben het landgoed ondergebracht in BV Landgoed Ampsen. In 1990 zijn ze op Ampsen komen wonen, in de verbouwde oranjerie.
Auteur Maatje Havelaar

‘Ik ben op Ampsen komen wonen toen ik in 1990 met de vut ging. Maar als schooljongen heb ik van 1943 tot midden ’45 hier ook gewoond. In die tijd heb ik veel in de bossen rondgestruind op zoek naar spannende dingen. Op weg naar Duitsland strooiden vliegtuigen pamfletten en zilverpapier, dat laatste om de radar van de wijs te brengen. Na beschietingen van een trein probeerde je de hulzen terug te vinden.
Toen de school dicht ging in de oorlogswinter, heb ik een periode mee gewerkt met de ploeg in het bos. Ik heb geholpen met het planten van lariks bomen en prunus struiken. De prunus werd tussen de lariksen gezet om ze omhoog te jagen. Later moesten die prunussen er weer uit omdat ze de autochtone flora verdrongen. Wij zijn daar jaren mee bezig geweest.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERAHet landgoed had toen al dezelfde opzet. Het grote verschil is de totaal andere landbouw die je toen had. In die tijd waren het kleine gemengde bedrijven van zo’n 17 hectaren, met 20 koeien. Het hele gezin moest meehelpen. Er was veel werk te verzetten. De rogge moest voor 10 augustus van het land zijn, want dan moesten de knollen worden ingezaaid. Allemaal voornamelijk veevoer. En dan had je ook nog de aardappelteelt, vooral voor de varkens. Ze hadden ook brandhout nodig, dat haalden ze uit de houtwallen langs hun land of ze kochten het op veilingen.
Ik herinner me goed dat er door heel het landgoed heen telkens stapels hout lagen die als afzonderlijke kavels geveild gingen worden. Dat was een hele drukte. Daar waren op die boerderijen natuurlijk veel meer mensen dan nu, want de marginaal grote bedrijven hadden allemaal behalve het gezin, vaak ook een knecht rondlopen. Die was meestal intern en dat gaf natuurlijk veel meer reuring. Er was ook een intens sterke band tussen de agrariërs, die elkaar hard nodig hadden. Ik herinner me dat de dorsmachine zich verplaatste van boerderij naar boerderij. Er werd dan drie weken lang collectief gewerkt aan het dorsen.

Ik zat toen op de Prins Hendrik school in Lochem en had vriendjes op de verschillende boerderijen en bracht daar zoveel mogelijk vrije tijd
door. Ik moest wel goed uitkijken waar ik wel en waar ik geen drank aan nam, want op een aantal van die boerderijen hadden ze volledig ondrinkbaar ijzerhoudend water. Het pompwater kon op 50 m afstand wel of niet ijzerhoudend zijn. Wat me toen niet is op gevallen maar nu wel als oude pachters weggaan, is de ongelofelijk primitieve  wijze van leven. Je kwam dan zolderkamertjes tegen, waar de wind doorheen gierde en daar sliep de boer met zijn familie. Ook vond je vaak op de deel een geïmproviseerde douchecel. Als kind zag je dat niet.

Ampsen had toen een ploeg van zes bosarbeiders, die het hele jaar door, de hele dag met elkaar bezig waren: met beplanten, gezamenlijk oogsten, samen met paarden tractie, met of zonder malle jan, de stammen uit het bos slepen. Als je dat vergelijkt met de processors die nu door het bos razen en in twee weken klaar zijn! Toen woonde nog een bosarbeider met vrouw en acht kinderen op het landgoed in een piepklein woninkje van zo’n 8 bij 10 m, iets onbegrijpelijks. Vroeger woonden de schilder en de timmerman ook op het landgoed, dat heb ik niet meer meegemaakt.

Mijn grootmoeder heeft dit landgoed geërfd in 1929 en is eigenaresse gebleven tot haar dood in 1946 en toen is het eigendom overgegaan op haar dochter. Zij had een andere belangstelling. Zij stond wat verder weg van het bedrijf en dichter bij de mensen waarschijnlijk. Zij bracht altijd peperdure nieuwjaarsbezoeken aan de verschillende boerderijen en kwam dan terug met gigantische wensenlijst. Nu is de relatie meer afgewogen zakelijk. In die tijd had de boerenstand het natuurlijk heel krap. De mensen leefden in beperkte omstandigheden.
Mijn oudtante, Marie Jacqueline van Lynden van Sandenburg, heeft hier gewoond tot 1970. In die tijd kwam ik hier wel eens in de weekenden. Toen was er nog een voltijds betaalde jachtopziener, die de hele dag in het veld was en rondfietste en iedereen aansprak, maar de inkomsten van de jacht waren minder dan de kosten van een jachtopziener.
Nu hebben we een parttime jachtopziener, die toezicht houdt en daarnaast een volle baan elders heeft. Het wegvallen van de jacht is wel achteruitgang van het onderling contact. Zo’n tien jaar geleden hadden we vijf, zes jachtdagen. Op die dagen sprak je alle mensen van het landgoed, want die kwamen dan drijven en voor hen was het een heel belangrijk evenement. Je moest het niet in je hart halen om iemand over te slaan. Want de elleboog-gymnastiek, de borrels, en het eten was natuurlijk een belangrijke zaak. Die dagen waren een onderdeel van het gemeenschapsleven.

De bosbaas speelde een belangrijke rol in het beheer van landbouw en bosbouw. Hij had dagelijks contact met de boeren. Hij was hun raadgever en bemoeide zich ook met de organisatie van de MRY veedagen en het  Gelderse kampioenschap hier op het landgoed. Er kwamen hier dan wel 300 koeien. Ik heb dat niet meer meegemaakt. We hebben nu een parttime bosbaas, die we delen met landgoederen in de buurt. Hij woont niet meer op het landgoed en bemoeit zich alleen met het bos. Ons bosbeheer is sinds 1985 ook veranderd: geen kaalkap percelen, maar selectieve houtkap, zodat je niet meer van die grote lege plekken hebt in het bos. Het  contact, dat wij met de boeren hebben is zakelijker geworden. De boer gaat nu over een gigantisch kapitaal vergeleken met  vroeger. Hij is nu meer manager dan ambachtsman. De pachtboeren pachten de grond en de traditionele gebouwen. Als daar nu nieuwe stallen bijgebouwd worden dan is dat over het algemeen voor hun eigen rekening en risico.
Er is nu in zekere zin een verscherping van betrokkenheid tussen boer en landheer. Door de subsidieregels moeten de velden van de boeren dezelfde maat houden. Het bos heeft altijd de afschuwelijke neiging het veld op te komen en dat  wordt door het ministerie van landbouw op basis van directieven van Brussel vanuit de lucht gefotografeerd. Wij moeten de stukken land op tijd afzetten, anders wordt de overheidssubsidie ingetrokken  en dat is zuur. Je vangt meer geld met landbouwgrond dan van bosgrond. Vroeger deed de boer dat zelf.
Op het landgoed staan 10 boerderijen, 5 daarvan zijn nog operationeel. Een van de boeren is een biologische schapenhouder. Een andere boer hier vlak naast is bewust door ons als biologische boer aangetrokken. Het bedrijf kwam vrij doordat de boer die daar zat door zijn rug was gegaan. Toen hebben wij gezegd dat wij daar graag een biologische boer wilden hebben.

Biobemesting en biomassa komen hier misschien ook aan de orde. De Gemeente Lochem heeft het gebied rond de voormalige vuilstort en het hele landgoed Ampsen aangewezen als een prioritair gebied waarin de lokale bevolking samenwerkt aan duurzaamheid. Zo worden wij ook betrokken in de vraag in hoeverre wij biomassa kunnen aandragen. Daar kunnen het bos en de houtwallen in bijdragen. Daar zijn wij de laatste jaren geleidelijk aan al mee bezig. Maar in Nederland hebben de houtsnippers nog niet zo’n hoge waarde als in Duitsland. Wij zijn nu nog heel blij als iemand hier wil komen om door ons klaargelegd hout te versnipperen en af te voeren op zijn kosten. Maar voor de toekomst hopen wij toch nog een centje te krijgen voor de waarde van de snippers zelf.
We blijven bosbouw plegen, maar je wordt daar niet rijk van. Bij ons is nu de belangrijkste bron van inkomsten de verhuur buiten de landbouw om. En dan praat ik zowel over de verhuur van het kasteel als kantoorruimte als van de vrijgekomen boerderijen.

Wij hebben zoals gezegd een flink aantal boerenbedrijven zien sluiten en er zijn geen losland pachters meer. Nee, hoog opgetaste paardenwagens, die zie je niet meer. Ik herinner me dat direct na de oorlog, in 1945, één van de zoons van de boer hiernaast een klein trekkertje van het Duitse leger, in handen had gekregen. “Nou ja,” zei hij, “het is leuk speelgoed, maar tractoren zullen er in ons land nooit komen”. Diezelfde boer die dat zei, moest 4 tractoren verkopen, toen hij zijn bedrijf van de hand deed.

Ook het gemeenschapsleven op Ampsen is natuurlijk veranderd.Bij begrafenissen en alle belangrijke huwelijksdagen en verjaardagen komt men nog steeds bijeen. De begrafenis van mijn tante was wat rustig. Zij was natuurlijk al in de tachtig. De dragers waren en zijn dan de boeren van het landgoed. Wij hebben hier een bovengronds mausoleum, dat is gebouwd toen er als gevolg van de wet op de lijkbezorging niet meer in de kerk begraven mocht worden. Voor ons was dat de kerk in Lochem.
Bij belangrijke feesten komen de agrariërs en natuurlijk ook de andere bewoners van Ampsen, bijeen in het lokale café in Exel. Als je de foto’s van al die jaren vergelijkt, zie je dat jaar in jaar uit dezelfde mensen aan dezelfde tafel zitten, want je gaat altijd naast je directe buren zitten.

Vroeger werd het landgoed voornamelijk door één groep mensen bewoond: landbouwers. En nu zijn er vrij veel burgers komen wonen.
Ik denk dat het bijna fifty fifty is. En daar was eigenlijk heel weinig contact tussen de autochtone bevolking en binnengekomen burgers, totdat de erfpachter van de hoeve Coeverden zijn schuur heeft ingericht als bruin café, waar iedereen die op het landgoed woont, eens in de drie/vier weken welkom is om op een vrijdagavond voor eigen rekening wat te komen drinken. Dat is een geweldige vooruitgang.

Kijk ook eens op: