Kasteel Ruurlo: ‘Dat heerlijke leventje is nu wel voorbij.’

KasteelRuurlo_portret_PetervanDinther_MG_3480_www

Jacob Dirk Carel baron van Heeckeren van Kell
Eigenaar

Kasteel Ruurlo dateert grotendeels uit de 16e en 17e eeuw en mag met zijn verschillende bouwstijlen, zijn grootte en zijn ligging beschouwd worden als een van de fraaiste van Nederland. Het geslacht van Heeckeren bewoonde dit kasteel ruim vijf eeuwen met slechts een korte onderbreking van 40 jaren. In 1978 werd het kasteel met zes hectare park door de gemeente Ruurlo gekocht en na een grondige restauratie in gebruik genomen als gemeentehuis. Momenteel wordt Kasteel Ruurlo vrijwel alleen nog gebruikt voor huwelijkssluitingen. Carel van Heeckeren beheerde ruim 30 jaar het landgoed van zijn voorouders en woont nog steeds naast het kasteel.
Auteur Marja Wassenberg

‘Toen mijn vader stierf in 1969 kregen mijn broer en ik fiscaal gezien een enorme klap te verwerken. We moesten noodgedwongen een deel van het landgoed en later ook het kasteel verkopen. Dat was een hele moeilijke stap, zeker voor mij omdat ik het landgoed beheerde. Ik weet nog goed dat ik met tranen in mijn ogen luisterde naar het Wilhelmus dat gespeeld werd tijdens een Concours Hippique achter het kasteel. Een week later zou  mijn ouderlijk huis, inclusief koetshuis en park, overgedragen worden aan de gemeente Ruurlo. Ik keek op dat moment naar mijn eigen slaapkamer en dan heb je het even te kwaad. Toen de akte eenmaal gepasseerd was, was dat sentimentele gevoel over. Je voelt een enorme opluchting. Er valt een zware last van je schouders, want het is verschrikkelijk om zo’n groot kasteel te onderhouden. Je moet niet vergeten dat Kasteel Ruurlo enorm veel schade had opgelopen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ik weet nog goed, ik was 7 jaar toen we op 10 mei 1940 ’s ochtends om 5 uur wakker werden van een enorme knal. Mijn vader nam mijn broer en mij mee naar buiten en ik zie nog de Duitse gemotoriseerde troepen vanuit Winterswijk richting Zutphen gaan. Ruim drie jaar later, eind 1943, zijn we met een luchtgevecht tussen Engelse bommenwerpers en Duitse Messerschmidts door het oog van de naald gekropen. We zaten in de eetkamer aan de lunch toen we het gefluit van bommen hoorden. We zijn meteen naar beneden gevlucht en dat angstaanjagende gejank van die bommen, dat zal ik nooit vergeten. Het wachten op de explosie, want waar komt een bom terecht, dat is verschrikkelijk. Er zijn meer dan 10 bommen rondom het kasteel gevallen. Eentje aan de voorkant op 50 meter afstand. Gelukkig is die bom niet ontploft, anders was het hele koetshuis weggeblazen en de voorgevel zou onherstelbaar beschadigd zijn geweest. Door de luchtdruk vlogen meteen alle ramen uit het kasteel en binnen viel al het porselein op de kasten naar beneden. Een gigantische ravage en door al het losgetrilde kalk in het onderhuis zag je geen hand voor ogen.

KasteelRuurlo_Huiszijaanzicht_PetervanDinther_MG_3444Enige tijd daarna werd Kasteel Ruurlo geconfisqueerd door de SS en werden wij eruit geschopt. Ik weet nog goed dat de Duitse officieren hun intrede deden in het kasteel en de manier waarop mijn moeder zo’n indringer te woord stond, die het kasteel wilde bezichtigen. Mijn broer lag in bed en die boomlange officier vroeg: “Ach Frau Baronin, hat Ihr Söhnchen vielleicht zuviel Chocolade gegessen?” Zij antwoordde heel ad rem: “Nein, dass haben wir leider nicht mehr im Krieg kaufen können.” Ik zie het nog voor me, zo’n boomlange vent en mijn moeder, die klein van stuk was, keek omhoog en gaf hem van repliek. Mijn vader was destijds burgemeester van Ruurlo en moest onderduiken en mijn moeder, broer en ik vonden onderdak bij een boer in Ruurlo. Die oorlog heeft een enorm negatief stempel gedrukt op Kasteel Ruurlo. Het werd in bezit genomen door SS-generaal Harmel en zijn generale staf, die een hele belangrijke rol heeft  gespeeld bij de slag om Arnhem. Die generaal Harmel is overigens 98 jaar geworden en heeft op zijn oude dag in Kleef gewoond, hier net over de grens. Hij heeft in de 80er jaren een verzoek gericht aan de burgemeester van Ruurlo om samen met enkele oud-officieren het kasteel Ruurlo te mogen komen bezichtigen. Dat heeft de burgemeester gelukkig afgewimpeld uit piëteit voor onze familie. Je moet toch wel een olifantshuid hebben om zo’n verzoek te doen. Maar à la. Tot de bevrijding op 1 april 1945 was Kasteel Ruurlo het hoofdkwartier van de Duitse Generale Staf in Oost-Nederland en daarna hebben de Canadezen er nog een paar maanden gezeten. Toen wij terugkwamen was het kasteel, door al het oorlogsgeweld en de drankorgieën van de Duitsers, in een dermate slechte staat, dat we een gedeelte hebben moeten sluiten. Ook die mooie oranjerie, één van de grootste van Nederland, moest wegens bomschade afgebroken worden. De restauratiegelden die mijn vader na de oorlog kreeg van de Onderlinge Oorlogsschade Maatschappij waren bij lange niet voldoende om alle schade te herstellen.

Die oorlog heeft er bij ons ingehakt, maar de volgende grote klap die we kregen te verwerken, was de loonexplosie begin zestiger jaren. Tussen 1940 en 1960 waren de lonen laag en kon je je als landgoedeigenaar veel personeel veroorloven. Wij hadden voor de bossen een bosbaas, een jachtopziener en vier bosarbeiders. Voor het onderhoud van de boerderijen drie man personeel, voor de moestuin, een tuinbaas met twee assistenten en op het kasteel werkten een kokkin en nog drie andere meisjes. Verder hadden we nog een chauffeur voor mijn moeder en een rentmeester voor het beheer. Kijk in die tijd ging alles nog heel traditioneel. Wij hadden toen zo’n 1000 hectare grond tot onze beschikking met boerderijen, dienstwoningen, verpachte cultuurgronden en bossen. Zo’n landgoed kostte het nodige qua onderhoud, maar je had ook inkomsten. De pachtgelden en de verkoop van hout gaven een zekere dekking. Je leefde toen nog vrij onbezorgd op een landgoed. Geen sores aan je hoofd, want de rentmeester zorgde overal voor en loste alle problemen op. Een landgoedeigenaar was een erudiet mens. Hij had vaak een belangrijke functie bij justitie of zat in de diplomatieke dienst. Thuis liep de zaak op rolletjes en kwam hij alleen maar om te genieten. Dat heerlijke leventje is nu wel voorbij. Mijn vader was na zijn rechtenstudie watergraaf geworden en later ook burgemeester van de gemeente Ruurlo. Hij bemoeide zich nauwelijks met het beheer van het landgoed en liet zich wekelijks informeren door de rentmeester.

Mijn broer en ik hebben een prettige jeugd gehad, maar je leefde wel beschermd en afgezonderd van de gemeenschap. We gingen naar de Openbare Lagere School in Ruurlo en later naar het Christelijk Lyceum in Zutphen. We hadden ook vriendjes, zeker wel,  maar je woont op een kasteel en dat schept afstand. O, ik herinner me ook hele leuke dingen zoals in de winter de schaatswedstrijden op de gracht bij het kasteel. Vooral die eerste oorlogswinters waren heel streng met veel ijs. En dan na afloop erwtensoep op de binnenplaats. Dat was verschrikkelijk aardig. Als ik dan verder denk aan het sociale leven van een landgoedeigenaar in die tijd, dan had je de ontvangsten en feesten die men met elkaar organiseerde. Dan weer eens bij deze, dan weer eens bij die. Geen grote bals of trouwerijen, maar meestal diners. Het mooie porselein kwam uit de kasten en er werd gedekt met zilver. Na de oorlog was veel porselein gesneuveld en het zilver hebben we gedeeltelijk teruggevonden in de gracht. De familieschilderijen heeft mijn moeder kunnen redden. En dan natuurlijk het jachtgenot. Je nodigde enkele gasten uit en vervolgens werd er de hele dag gejaagd met als afsluiting een heerlijk diner. Je had een grote moestuin en toentertijd nog goedkoop personeel genoeg, dus zoveel kostte een diner aan huis niet. Nog zo’n gewoonte uit de tijd tussen 1940 en 1960, die overigens nog steeds bestaat, is de buitensociëteit. Dat is begin vijftiger jaren ontstaan in de Achterhoek rondom Vorden. Een sociëteit alleen voor landgoedeigenaren met landhuizen en kastelen. Drie of vier landgoedeigenaren zijn dit initiatief destijds gestart en mijn vader is vrij snel lid geworden van de buitensociëteit. We zijn momenteel met 13 leden en ik moet u vertellen, er zitten sinds een jaar of twee ook twee dames bij. We hebben als heren eerst nog wel even achter onze oren gekrabd, want ja er werd wel een traditie verbroken dat alleen heren lid konden worden. Maar de meerderheid van stemmen heeft tenslotte beslist en nu zijn we blij met de dames! We komen vier keer per jaar bij elkaar in een soort round table. Dan is het bij die, dan bij die, dan weer bij die. Er komt goede wijn op tafel met kaas erbij, en het mooie zilver wordt geëtaleerd. We praten over privézaken, maar ook over de problemen die we tegenkomen op het landgoed. Kijk, je voelt elkaar goed aan. Je kent elkaar goed, je weet wat er speelt en je houdt elkaar op die manier op de hoogte van nieuwe ontwikkelingen!

Eigenlijk zou ik na mijn studie naar het Verre Oosten gaan, maar Soekarno stak daar een stokje voor. Ik zat bij de Nederlandse Handelsmaatschappij in Amsterdam en werd ontslagen. Toen zei één van mijn vrienden daar: “Jouw vader heeft zo’n mooi landgoed. Waarom ga je niet voor rentmeester studeren!” Dat heb ik gedaan en ook nooit spijt gehad van die keuze. Mijn vader was dolgelukkig, want hij had het gehoopt, maar nooit aangedrongen.  Ik heb een rentmeestersopleiding gevolgd en een studie tot beëdigd makelaar afgerond en had al een landbouwkundige opleiding genoten. Verder is het ook van groot belang dat je het nodige weet van bouwkunde. Je bent als beheerder van een landgoed voortdurend bezig met onderhoud van gebouwen. Na de verkoop van het kasteel en koetshuis bleven er op dit landgoed nog vele panden over om voor te zorgen. Daar komt gigantisch veel bij kijken, want je wilt het familiebezit in uitstekende staat overdragen aan je kinderen. Goddank kan dat, sinds de Natuurschoonwet er is, kosteloos. Nederland kent een vrijstelling van successie voor landgoederen die onder deze wet vallen. Dat is uniek in Europa. Bovendien kunnen we gebruik maken van een veelvoud aan subsidies. Profiteren we ook van, maar of dat allemaal zo blijft, is maar de vraag. Het beheer van dit landgoed beschouw ik als mijn levenswerk en ik heb door de jaren heen veel zien veranderen. Niet alleen hier maar ook bij collega-landgoedeigenaren. Kijk een landgoedeigenaar is een individualist. Je hebt in Nederland zo’n 800 landgoederen en iedereen runt zijn bezit met een eigen visie. Dat zit in je bloed, want je wilt niet na-apen. Dat is het grote verschil met natuurbeschermingsorganisaties. Die willen een soort eenheidsworst maken van hun bezittingen. Wij doen het liever op onze eigen manier en zoeken voortdurend naar nieuwe wegen om de zaak draaiende te houden. Je ziet tegenwoordig een totale omschakeling van activiteiten op een landgoed. Het verhuur van dienstwoningen en boerderijtjes. Doen wij ook. Landgoederen die milieuvriendelijke producten aan de man brengen. Een golfbaan op een landgoed, noem maar op. Men wordt steeds inventiever in het genereren van extra gelden. Ik heb lange tijd en met zeer veel plezier het beheer gedaan van dit landgoed, maar sinds enkele jaren heb ik het in handen gegeven van een extern rentmeesterskantoor. Ik voel me nog kiplekker, maar gebeurt er iets met me, dan weet ik nu dat het hier gewoon doordraait. Het is altijd mijn streven geweest dat de traditie van dit eeuwenoude familiebezit in ere wordt gehouden.’

Kijk ook eens op: