Kasteel Neerijnen: ‘Porseleinen borden, prachtig, prachtig…’

 KasteelNeerijnen_Zusters_PetervanDinther_www

Willy van Staveren – de Jongh

(geb. 1929)
Kamermeisje

Mevrouw Willy van Staveren- de Jongh en haar zus Gozewien waren van 1949 tot 1954 als kamermeisje werkzaam bij de Barones (1871-1958), weduwe van Hans Willem baron van Pallandt (1866-1929). De familie Van Pallandt woonde op kasteel Neerijnen, gelegen in de Tielerwaard. Hun zoon Adolf Frederik (1899) stierf op 12-jarige leeftijd. Hun dochter, Julie Elisa (1898) in de volksmond bekend als ‘de Freule’, was beperkt in haar bewegingen als gevolg van kinderverlamming. De Freule stierf in 1971, zij woonde de laatste twee jaar alleen op het kasteel.

Tekst Tilly Kuus-Liefkens, beeld Peter van Dinther

“Wij stonden bekend als eerlijke meisjes, nette meisjes, zodoende dat wij bij de Barones in dienst kwamen. We hadden thuis een groot gezin, waren arm en hebben altijd hard moeten werken, maar dat is niet erg.” Aan het woord is de nu 82 jarige Willy van Staveren – de Jongh. Samen met haar jongere zus Gozewien was ze op kasteel Neerijnen in dienst van Mevrouw Irmgard Thecla Barones van Hardenbroek. Willy werkte op maandag al bij de tuinman van het kasteel, toen de Barones haar kwam vragen als kamermeisje. De destijds 19-jarige Willy kreeg na een volle week hard werken veertien gulden mee naar huis. De Barones beschikte naast de twee kamermeisjes over een ruime staf personeel, zoals een dienstknecht, twee keukenmeiden, een secretaresse, een rentmeester, een boswachter en een kamenierster. De meeste personeelsleden bleven haar lange tijd trouw : “Natuurlijk! de mensen waren vroeger blij dat ze werk hadden“, weerlegt de vitale en energieke Willy. Enkele personeelsleden woonden dag en nacht op het kasteel, Willy en haar zus Gozewien mochten na een werkdag, die om zeven uur begon, om half zes naar huis. De Barones en de gouvernante Miss Palffrey – vanwege haar afkomst De Engelse Dame genoemd – verbleven in de koninklijk ingerichte vertrekken op de begane grond. Willy benoemt die vertrekken steevast met ‘boven’. Het souterrain en de keuken, domein van het personeel, omschrijft ze als ‘beneden’.

Kamermeisje Willy en haar zusje Gozewien vergaapten zich aan de pracht en praal in de majestueus ingerichte verblijven. “Prachtige slaapkamers met een mooie kaptafel met driedelige uitklapbare spiegel. Eigenlijk was het een gewone tafel met een wit laken erop en daar lag dan een kleed overheen, helemaal opengewerkt met bloemetjes. De Barones sliep in een hemelbed, met allemaal damast en wijnrode gordijnen met daaraan een dik koord. In de slaapkamer stond een houten rekje met damasten doeken eraan, daar maakten we de wastafel en de spiegels mee schoon. Dat deden we elke dag, ook haalden we élke dag de haren uit de zilveren kam en stoften we al het zilver af.
Dat zilver werd door de huisknecht gepoetst en mocht je niet aanraken. Want je vingerafdrukken zouden zwarte vlekken kunnen maken, daarom gebruikte je twee doeken: één om het zilver mee vast te houden en één om af te stoffen.

KasteelNeerijnen_PetervanDinther_wwwDat hemelbed was een stofnest! Daar hadden we een Hoover stofzuiger mét licht voor, dat was modern! Je kon de steel plat doen en dan kon je onder het bed. Op een keer brak er iets af. Ik durfde niks te zeggen en nam onder mijn eigen naam contact op met Hoover. Ze kwamen voor de reparatie vanzelf terecht op het kasteel, want niemand anders in Neerijnen had zo’n Hoover. Daarna moest ik wel vertellen dat ik het gedaan had. Ik heb het eerlijk opgebiecht en de Barones heeft  het  goed opgevat. Ik zei: “ik dorst ’t niet te zeggen want ik voelde m’n eigen slordig.” Je kreeg geen straf, meer een vingerwijzing. Ze riep je niet bij zich, nee.. Ze deed met de wijsvinger zo van: kom eens hier, en dan was je wel bang.  Maar dat gaf niet, daar heb je allemaal mee geleerd en je moest dat ook leren.”

De kamenierster was van het personeel degene die het meest persoonlijk contact had met de adellijke bewoners. Zij maakte ’s morgens het bad klaar voor de Barones en de freule, daarna wekte ze de dames. Beiden hadden een eigen slaapkamer en een eigen badkamer. “Ook al vroor het 80 graden, elke dag gooide de kamenierster de luiken open van de slaapkamers en dan keek ze zorgvuldig of er geen spinnen achter zaten. Zij mocht wel in de slaapkamers komen, maar wij niet, wij  mochten daar alleen maar zijn om te werken.”
’s Avonds als de dames gingen slapen, sloot de kamenierster de blinden en legde ze het bed alvast voor hen open: “Schuin, zodat ze er zo in konden stappen. De freule werd vanwege haar handicap geholpen bij het naar bed gaan, de Barones ging zelf naar bed. Haar handsop, een hemd en broek aan mekander, lag dan al klaar. Ze werden zo verwend, ze hoefden zelf niks, niks, niks zelf te doen, alles werd klaargelegd.”

Het verblijf van de kamenierster en de andere personeelsleden op de grote zolder was minder koninklijk dan dat van de adellijke dames. “Het personeel voor dag en nacht sliep op zolder, dat was een rotzooi! Arremoedig, arremoedig, arremoedig…. Op die kamertjes lag geen zacht gebloemd tapijt maar koud linoleum. Ze hadden nog geen nachtkastje staan. Op die zolder zat een vleermuizen nest. De kamenierster liep daarom met een net om haar haren, want ze was bang dat de vleermuizen in haar knotje gingen hangen. Een rek op zolder werd gebruikt als berging voor de lampetkannen, witte emaillen kannen met een handvat, daar ging water in voor de slaapkamers waar geen wastafel was. Wij hadden daarboven ook een kamertje waar we ons even terug konden trekken. Omdat wij dichtbij woonden, sliepen wij daar niet. Je zat daar alleen maar als je klaar was en het nog geen half zes was, want overdag kwam je daar niet aan toe.  We wachtten op dat kamertje en dan riep de huisknecht: ‘Half zes!!’ En dan mocht je gaan.”

Op een kasteel met veel bedienden en deftige bewoners is veel te doen. Willy en haar zusje waren elke dag van zeven uur ’s ochtends tot half zes present om elke dag alle kamers volgens strikte regels te doen. “In de kleine salon hadden ze allemaal foto’s staan en in de hal hingen schilderijen in grote lijsten. Die moesten we allemaal met een plumeau afdoen, die grote schilderijen waren geverfd of gebatikt. Om te voorkomen dat je er iets af zou halen, stofte  je ze met een zachte plumeau.” Willy en haar zus legden er eer in keurig werk af te leveren en pakten op eigen initiatief ook werkjes aan: “Als je het bordes opkwam, had je een klein halletje waar een kapstok hing met allemaal koperen leeuwenkopjes. De meisjes die vóór ons op het kasteel werkten, waren slordig met koper poetsen, de restjes van de koperpoets zat nog op het koper. Wij poetsten al het groen bij die leeuwtjes weg.”

Voor de Barones werden elke dag verse bloemen uit de tuin neergezet, af en toe  kregen de meisjes een bos bloemen mee naar huis. “Bij het kasteel stonden kassen, daarin stond ook een nachtcactus. Een nachtcactus  bloeit maar één nacht per jaar. De tuinman wist dat aan de hand van de  zonnestand en dan mochten wij rond middernacht komen kijken.” Willy sluit haar ogen en ziet het nog voor zich: “Dan zie je de bloem langzaam opengaan. Dat was een hele belevenis! Maar de eerste die het gezien had, was de Barones. Die had al eerder gekeken en daar mochten wij dan niet bij zijn.”
Vrije tijd hadden de meisjes vrijwel niet : “Alleen op zondag waren we thuis. Mijn moeder stond er alleen voor. Mijn vader was bruggenschilder, na een val van de Bommelse Brug is hij gestorven, 45 jaar oud. Als we ’s avonds na het werk thuiskwamen, hielpen we mijn moeder. Op zaterdag mochten we om vier uur naar huis. Dan lag boven in de werkkamer van de Barones een envelop klaar met je loon erin. Beneden in de keuken kreeg je dan een kopje thee en een kaneelbeschuitje. En altijd een biscuitje bij de thee want de Barones was zuinig. Elke morgen om negen uur aten we brood. Daarvoor kreeg je op maandagmorgen roomboter en jam voor de hele week in een schaaltje met je naam erop. Je moest er zuinig mee doen, want als het eerder op was kreeg je margarine.”
De tegenstelling tussen ‘boven’ en ‘beneden’ was groot. “De Barones at in de eetkamer. Allemaal Delfts blauw met vogeltjes erop, uitgewerkte glazenkasten en een kristallen lamp boven een hele grote eethoek. De tafel daar was daar altijd gedekt, hè. Daar zorgde de huisknecht voor. En die borden en al, prachtig, prachtig…van porselein, een plat en een diep, zilveren bestek en vingerkommetjes. Vingerkommetjes, dat kende ik niet! En, hoe leuk, op een marmeren bak met pootjes stond een zilveren dienblad, ovaal van vorm, waarop laurierblad uit de tuin was gelegd. Daarop lag dan vers fruit uit eigen boomgaard, zo mooi!  Alleen de huisknecht mocht binnenkomen als ze zaten te eten, dan ging het belletje beneden en moest ie weer boven komen.”

Voor het samenstellen van het middagmaal ging de Barones samen met de keukenmeid naar de provisiekelder. “Dan kwam de Barones de groene trap af van één van de vier jagerskamertjes en dan gingen ze naar de provisiekelder. Ze droeg een oude regenjas en een mandje met alle sleutels van de provisiekasten. ‘s Morgens al vroeg werden de groenten uit de eigen tuin gebracht.”
Ook de maaltijden ‘boven’ verschilden van het eten ‘beneden’. “Ik weet nog dat er pannenkoekjes over waren, gevuld met ragout, die kregen wij, dan was je blij want dat at je nooit. En artisjokken, die hadden ze in de tuin,  maar die kregen wij niet! Wij kregen wel eend en duif. Dat was voordelig, want die schoot de boswachter zelf. Vis kregen we nooit, maar toen ik al weg was, is er een andere keukenmeid gekomen en die zei: ‘Wát? Wij lusten ook vis!’  En die heeft ’t er zo doorgedrukt. Kijk, dat is een jongere generatie. Die durfden voor zichzelf op te komen. Wij waren meer van buigen. Onderdanig? Misschien, maar dat heb je nooit gevoeld, de tijd was gewoon zo.”
De dienstmeisjes hadden ontzag voor de Barones, toch durfden zij soms een beetje ondeugend te zijn: “Thuis moesten we met een emmer water in de teil, want er was natuurlijk geen bad. Zaterdags voor we weg gingen, als er geen onraad was, gingen we om de beurt gauw in bad en om de beurt op de uitkijk, ik en mijn zuster. Er was ook een pracht van een rookkamer met van die maïskleurige, fluwelen bekleding en van die grote crapauds. Als de Barones elders was, zaten wij weleens lekker in die grote crapauds,” gniffelt Willy met zichtbare napret.

De wasserij kwam elke week de was ophalen: “Ook het beddengoed van helemaal boven. Die was ging in een rieten mand die van boven naar het bordes beneden werd getakeld. Zelfs wij kregen elke week schone handdoekjes en servetjes. De kleding van de Barones waste de kamenierster. Zij naaide ook kleren. Vooral voor de freule, die kleren moest ze aanpassen vanwege die verlamde hand.”
Willy erkent veel geleerd te hebben bij de Barones: “Daar leerde je manieren, zoals je voorstellen aan onbekenden. Ik vond het alleen maar leuk, ik ben nu nog gewend om dat te doen. Mijn moeder was goed, maar als je alleen elf kinderen groot moet brengen, heb je geen tijd om daar altijd aan te denken.” Willy had ook nog graag Engels geleerd: “De huisknecht bracht ’s middags rond een uur of drie een keteltje warm water naar de kleine salon, dan werd thee op z’n Engels  gedronken met melk erin. Dat kwam door de Engelse dame natuurlijk, onderling spraken ze ook Engels, dan konden wij niks verstaan. “

Evenals zus Gozewien woont Willy niet meer in Neerijnen. Op Moederdag bracht Willy een bezoek aan het kasteel, zittend op een bankje droomde ze weg naar het verleden en de herinneringen die ze koestert: “Ik zag zo weer voor me hoe trots ik was op mijn witte schort en mijn schoenen met spekzolen, hoe we schaatsten op de grachten rond het kasteel. En dat de Barones samen met de Freule en de Engelse Dame in de kerk zat toen ik trouwde in de hervormde kerk naast het kasteel. Hun prachtige huwelijksgeschenken heb ik nog steeds. Dan denk ik: ‘Ik ben tóch rijk geweest.’ We hadden het altijd leuk thuis, daar was het gezellig. Op het kasteel hoorde je nooit muziek. Er was een zakelijke, saaie sfeer. Ze hadden een koningskamer, een grote salon, vier jachtkamers, een werkkamer, een hal met een prachtige staartklok en een witte trap met Perzisch tapijt, maar ze waren met hun drietjes en de rest was personeel. De Barones was schatrijk en nu ik ouder wordt denk ik: ‘Wat heeft ze toch ook allemaal meegemaakt’ en het is ook een mens. Ik heb kinderen, klein- en achterkleinkinderen. Ik ben wel jong weduwe geworden en heb altijd hard moeten werken, maar ik heb nooit het gevoel gehad dat ik minder had en zou met al hun rijkdom niet willen omwisselen.”

 

Kijk ook eens op: