Huis den Dam: ‘Onze jeugd was ondeugd’

SONY DSC

Jhr. J.B.F. Bosch ridder van Rosenthal
Landgoedeigenaar

Het gesprek vindt plaats in de woonkamer van Huis den Dam aan de Damlaan te Eefde (bij Zutphen). De eerste vermelding van Huis den Dam dateert uit 1399.Vermoedelijk werd het huis verwoest in 1583 toen de Spanjaarden de stad Zutphen innamen. Het huis is herbouwd in 1600 en zowel in 1765 als in 1875 ingrijpend verbouwd. De huidige vorm dateert uit 1924 toen de serre werd aangebouwd. In 1934 waren er plannen om in het huis een crematorium te vestigen. Om dit te voorkomen koopt de heer mr. J.L. Sölner, advocaat en procureur te Zutphen, het pand en verhuurt dit aan Jhr. dr. ir. E.J. Bosch ridder van Rosenthal. In 1937 werd het huis verkocht aan Jhr. mr. J.J.B. Bosch ridder van Rosenthal, de broer van de huurder. In 1951 koopt Mevrouw Bosch van Rosenthal het pand.

Auteur Stance Westerhoud

Het is in 1934 dat mijn ouders besloten naar de omgeving van Zutphen te verhuizen opdat de drie kinderen naar de middelbare school zouden kunnen gaan. We woonden voor die tijd in Lochem, ik ben daar ook geboren, maar daar was geen middelbare school. Mijn zuster en broer, beiden ouder dan ik, zaten daar al. Maar zowel op de fiets als met de trein was het een mijl op zeven. Het Huis de Dam kwam te huur en daar trokken we in. Een groot huis, vooral vergeleken bij waar we woonden en dat was al niet zo klein. Voor ons was het een plek waar we ons goed konden uitleven in allerlei deugden maar vooral ondeugden. Ja, die ondeugden bestonden natuurlijk uit van alles wat je op die leeftijd doet en ook mijn zuster deed mee alsof ze een broer was. Aangezien er om het huis heen water is, hebben we daar nogal eens in gespeeld. Er lag ook een oude roeiboot en ook daar konden we eindeloos mee donderjagen. Normaal gesproken gingen we alle drie op de fiets naar Zutphen, behalve bij een hoge waterstand van de IJssel. Dan liep die over bij Baak en stond de Dam midden in het water. Wij als kinderen vonden het natuurlijk prachtig dat je met een bootje en via planken naar de spoorbaan moest zien te komen en dan kon je verder lopen. Van onze ouders kregen we veel ruimte om dingen uit te proberen en te pionieren.

SONY DSCWel moesten we helpen in de moestuin achter het huis maar daar kwam natuurlijk weinig van terecht. Alleen als de frambozen en de bessen rijp waren, dan waren we van de partij. Dieren waren er volgens mij niet in die tijd, behalve wat kippen. Het hele terrein achter was de moestuin waar mijn moeder veel in werkte, geholpen door Hekkelman. Een factotum in de familie. Hij werkte al bij ons in Lochem en toen ik goed en wel geboren was en in de kinderwagen vervoerd kon worden, werd ik als jongste bij Hekkie (zo noemde ik hem later) in de tuin geparkeerd. De band tussen hem en mij is altijd bijzonder gebleven.
Hij verhuisde mee naar de Dam en kwam in het koetshuis te wonen. Ik herinner me dat als het erg warm was hij om een uur of vijf op stond en dan ging hij rond tienen weer naar huis. Waarschijnlijk om een dutje te doen. Zodra de zon goed en wel weg was ging hij weer in de tuin werken en zo vulde hij toch de uren die hij normaal in tuin zou zijn. In huis hielp onze dienstbode Reintje. Zij sliep, zoals dat hoorde in die tijd, op zolder. Later is ze getrouwd met Hekkelman, nadat hij zijn vrouw verloren had. Ze zijn op latere leeftijd naar Almen verhuisd. Of er nog meer personeel was, herinner ik mij niet meer. Dat ging aan ons kinderen voorbij.

Eén ding is nog wel aardig om te vertellen. Ik denk dat ik een jaar of zestien, zeventien was en mijn ouders ontvingen gasten voor het diner. Er stonden een aantal auto’s voor het huis waaronder die van mijn moeder. Ik kon het niet nalaten om eens te kijken hoe dat werkte en heb de motor aangekregen en zoiets als geschakeld, dat moet wel en merkte ineens dat ik schuin naar beneden stond, langs de rand van het water van de gracht. Toen ben ik naar Hekkelman gegaan en zei: “Hekkie, ik heb een probleem, ik sta met de auto van mijn moeder op de helling en weet niet hoe ik hem eraf moet krijgen, en ze hebben gasten en als ik erin ga zitten dan glijd ik het water in.” “Oh,” zei hij, “ik zeg niks hoor, maar zal je wel even helpen.” Hekkelman hield wel van ondeugend. Hij heeft er voor zover ik weet nooit over gepraat, misschien later wel maar toen niet.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERAMijn zuster ging al snel het huis uit en in Utrecht studeren. Mijn broer en ik zaten op het lyceum. Maar mijn broer was een grote ondeugd en de rector adviseerde mijn vader, dat was nog voor de oorlog, hem van school te halen “en dat broertje van hem”, zei hij,  “zal wel van hetzelfde laken een pak zijn en moet ook maar weg.” Zo kwam het dat mijn broer, in verband met zijn gezondheid, naar een kostschool in Zwitserland ging en ik naar het Christelijk Lyceum in Harderwijk. Ik kwam in huis bij de rector en al was het wennen, ik heb daar toch een heel plezierige tijd gehad. Na mijn eindexamen in tweeënveertig ben ik ondergedoken geweest. Je moest donders oppassen dat je niet opgepakt werd want tewerk gesteld worden daar had ik geen behoefte aan.

Over de oorlog wil ik het eigenlijk niet hebben, al ontkom ik daar toch niet helemaal aan omdat het voor ons zo’n belangrijke periode is geweest. We, of liever gezegd mijn ouders, hebben hier gewoond tot eind vierenveertig. Toen moest het huis acuut worden verlaten en werd het door de Duitsers geconfisqueerd. Dat was vreselijk om alles achter te moeten laten wat je dierbaar is. Een van de merkwaardigheden die toch wel interessant zijn, is dat de Duitsers geprobeerd hebben het huis in brand te steken door allerlei meubels naar de kelder te slepen en daar een vuurtje te stoken. Maar die sufferds hadden natuurlijk geen enkel idee hoe het daar werkte want in de kelder is geen luchtverversing. Het is een vrij afgesloten geheel en waarschijnlijk nog van het oorspronkelijke huis wat hier ooit stond. En vuur stoken in een afgesloten ruimte dat werkt niet, dus alles is verkoold en het huis goddank gespaard gebleven. Eenmaal terug hadden wij er niets meer aan, met één uitzondering. Op een dag fietste ik door de weg naar Laren en daar zag ik een stoel van het meubilair van mijn ouders staan. Ik heb die op mijn fiets gebonden en meegenomen. Hij staat nog steeds in de eetkamer. En ja, ik heb ook wel ondeugende dingen gedaan. Zo fietste ik rond met papieren die niet voor de Duitsers geschikt waren. Om dat te camoufleren, het is gek dat je dat toch niet vergeet, had ik indertijd zoals die kadaster-grondmeesters een aktetas aan de stang van de fiets hangen. Dus ik reed rond als een man van het kadaster, alleen zat er niks in die tas. Zo ben ik één keer toch gepakt want ik liep te fluiten, of te zingen, dat weet ik niet meer ‘jetzt gehen wir nach Engeland’ en dat hoorden een paar Duitsers die daar waren. Ze plukten me van de fiets want dat mocht niet. Ik weet nog welke wei het was, halverwege Lochem, waar ik een paar uur in de houding moest staan. Toen lieten ze me weer gaan.

En ja, die onderduiktijd, ik kan daar weinig verder over zeggen behalve dat ik een paar heel goede onderduikadressen heb gehad waar het heel plezierig was ondanks de sombere tijd.
Ik kreeg veel steun, want je bent dan wel rond de twintig maar je weet nog van niks.
Toch is die oorlogstijd een vreselijke periode geweest en ik heb daar dan ook slechte herinneringen aan.

Na de oorlog heeft mijn moeder hier alleen gewoond, mijn vader is omgekomen in de oorlog. Ook Hekkelman en Reintje kwamen terug en bleven mijn moeder helpen zolang dat ging.
In 1951 heeft mijn moeder het huis kunnen kopen en sindsdien is het nog steeds in de familie. Met het beheer ervan heb ik me sinds de oorlog altijd bezig gehouden. Dat was tenslotte ook mijn vak. Ik had oorspronkelijk een rentmeesterskantoor. Toen dat werk minder werd, werd ik dijkgraaf van Salland en gingen mijn vrouw en ik in Deventer wonen.
Dat hoorde zo. Je moest wonen binnen het werkgebied. Maar mijn moeder werd ouder en op enig moment is er familieberaad geweest want geen van ons drieën wilden wij dat moeder hier weg zou gaan. Ze was zo ontzettend gehecht aan alles hier. Toen hebben mijn vrouw Antoinette en ik besloten bij moeder in te trekken. We kregen dispensatie mijn werkgebied te verlaten. Het huis werd in tweeën gesplitst. Dat is goed gegaan, al viel het niet altijd mee. Vooral voor mijn vrouw was het niet altijd gemakkelijk. Moeder was moeizaam. Ja, wat een wonder, ze was gewend om alles alleen te kunnen en dat ging allemaal niet meer. Alleen wat de tuin betrof duldde zij geen inspraak. Dat was haar terrein. En als wij, mijn vrouw en ik, wel eens iets anders wilden, vooral aan de voorkant, een andere plant of iets dergelijks dan wou mijn moeder dat nooit. Tot er geregeld iemand van de Stichting Historische Buitenplaatsen – ik ben daar de oprichter van – kwam helpen om adviezen te geven en die tuin echt mooi te maken. Daar luisterde mijn moeder naar. Sinds die tijd vroegen wij die jongedame eerst bij ons te komen praten om onze wensen kenbaar te maken. Dan ging zij later naar mijn moeder en die zei dan eigenlijk altijd ja. Zo speelden we het over de band.

Ja, zo ging dat tot het niet meer ging en we moeder onder het bed vonden in plaats van in het bed. Ze moest naar een verpleeghuis en, ook al zocht ik haar bijna iedere dag op, sinds die tijd heeft ze nooit meer een woord tegen me gezegd. Een van de eerste dingen die we veranderden was de moestuin. Die was veel te groot en het werk veel te zwaar en het grootste deel van al die groenten ging op de mestvaalt. Toen ben ik begonnen schapen te houden en is de tuin grotendeels weiland geworden. En die houd ik nog steeds. Evenals kippen en ganzen. Een korte tijd had ik ook zwarte zwanen, maar die braken iedere keer uit en dat werd geen succes. Toen mijn vrouw een ezel wilde kwam Paulus in ons leven. Er kwam ook een kar en we hebben heel wat ritjes gemaakt samen. Dat was de grote liefhebberij van mijn vrouw. Zij was ook de enige naar wie hij luisterde. Soms stond hij stokstijf midden op de weg. Als ik erbij was en wilde dat hij weer verder ging, gebeurde er niks. Maar als mijn vrouw na een tijdje zei: “Kom, Paulus, nou gaan we weer.”, dan sjokte hij weer verder met de kar. Hij heeft het lang volgehouden en is ongeveer dertig jaar geworden. Zelf had ik nog wel graag een nieuwe Paulus gehad maar mijn vrouw zei: “Dat wordt me teveel”. En uiteindelijk had ze gelijk.

Wat betreft de gracht om het huis moeten we een stuk terug in de geschiedenis. Van oudsher hadden de eigenaren van De Dam recht op water uit de Eefse Beek. Papieren zijn er nooit gevonden maar zo is het altijd geweest en ook erkend. Toen kwam het Twentekanaal en dat had nogal wat gevolgen voor hier. Allereerst kwam de Eefse Beek daarin uit en kon zodoende niet meer deze kant op. Mijn vader heeft toen met Rijkswaterstaat gepraat en dat heeft als resultaat gehad dat mijn vader water kocht per liter van Rijkswaterstaat en dat door een sloot van het bovenpand van het Twentekanaal hier naartoe werd gebracht. Dat ging goed. Geen idee wat hij hiervoor betaalde, maar het was, zoals gebruikelijk bij het Rijk, “niks voor niks”. Nog een gevolg van het graven van het Twentekanaal was een enorme daling van het grondwaterpeil zodat alle oude bomen op de Damlaan, richting Klaphek, kapot zijn gegaan door gebrek aan vocht. Mijn vader heeft later weer nieuwe eiken gepland en die staan er nu nog. Die hele watervoorziening ging goed tot het waterschap van de Berkel het afwateringskanaal van de Berkel ging graven waardoor de watertoevoer door het bovenpand van het Twentekanaal niet meer hier kon komen. Dat werd een hele strijd tot iemand van de Provinciale Waterstaat voorstelde dat wij Berkelwater zouden krijgen. En sindsdien krijgen wij water uit de Berkel. Vóór de ruilverkaveling liep het water van de gracht onder de laan door richting Klaphek zo naar Zutphen naar café de Eerste Stuiver. Niet te verwarren met de Laatste Stuiver in Eefde. Maar na de ruilverkaveling is die sloot dicht gegooid en kon het water niet meer weg. Het loopt nu gedeeltelijk tussen de wei en de zichtlaan maar dat is nog steeds een probleem. De zichtlaan is overigens ook weer een verhaal apart. Ik had op oude tekeningen gezien dat er ooit een laan was geweest en vond het leuk die weer aan te planten. Zoals het hoorde met een afstand tussen de bomen volgens de Rijnlandse Roede, ook dat had ik opgediept uit oude gegevens. Het is dus nooit een oprit geweest zoals veel mensen nog steeds denken.

SONY DSCTot slot wil ik nog iets vertellen over de kastanje die langs de oprit staat. Die heeft een hele rare reis gehad. Een neef van me in Londen vond een kastanje in Hyde Park en stopte hem in zijn broekzak. Een keer hier op bezoek heeft hij hem in de grond gestopt en er staat nu een enorme boom. Wanneer het precies geweest is durf ik niet meer te zeggen.’

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Beluister hier een fragment van het verhaal

Kijk ook eens op: