Heidenhoek: ”Je moest met de helm het ijs kapotslaan om je te kunnen wassen.”

Anoniem

De heer B. (77) is een innemende gepensioneerde boer, met wit haar, donkere borstelige wenkbrauwen en een paar vriendelijke ogen. Hij is geboren op boerderij ’t Haitink in buurtschap de Wassinkbrink te Zelhem. Hij werkt nog steeds mee op de boerderij van zijn zoon, maar nu ‘maar’ zes dagen in de week van 09.00 tot 19.00. Wel neemt hij tijd voor een middagdutje en zo nu en dan een snipperdag. Hij woont in een bungalow aan de rand van het dorp, verscholen in het groen, dit is het leven dat hij zich wenst.

Tekst Gerdien van der Zee-ten Bokkel

‘Ik ben geboren (in 1936) en getogen in de Wassinkbrink op de boerderij, in een fijn gezin. Vader, moeder, twee jongens en vier meisjes. Zes kinderen, geboren in zeven jaar tijd. Grootvader, de vader van mijn vader, woonde bij ons in en die was niet makkelijk. Zo wenste hij ontbijt op bed en als dat niet snel genoeg werd gebracht, werd hij boos op mijn moeder en ging dan zonder eten aan het werk. Negen personen in een klein boerderijtje, dat moet voor mijn moeder, die vaak ziek was, een enorme opgave zijn geweest. De boerderij bestond uit 6 à 7 hectare land, verdeeld in kleine stukjes, in Het Broek, Het Maatje en De Heide lagen stukken weiland. Het bouwland lag in drie percelen in de enk. Dat was lastig werken, daar was nu geen droog brood meer te verdienen. Daarom zijn we later verhuisd naar een grotere boerderij. Het was dus geen vetpot, maar het voelde absoluut niet arm.Het huis is een tijdje voor de oorlog gebouwd. Je ging aan de zijkant naar binnen. De voordeur werd weinig of niet gebruikt, via een portaaltje ging je naar de mooie kamer voor de visite. Beneden waren twee slaapkamers, één voor mijn ouders en één voor opa. Als kind heb ik lang bij opa geslapen. De bovenverdieping had ook twee slaapkamers, één voor de jongens en de andere voor de meiden. Voor het huis was een klein bloementuintje, opzij een groentetuin. Omspitten deden de mannen, de rest was vrouwenwerk.
Op mijn veertiende verdiende ik al een centje bij in de buurt en op mijn zestiende ging ik in opdracht van Zuivelfabriek Erica ’s avonds en ’s morgens monsterscheppen bij de boeren. Half zes opstaan, met je monsterkistje onder de snelbinders achter op de fiets naar een, door de fabriek aangewezen, boerderij. Als de weg erg slecht was – het waren bijna allemaal zandwegen – hing de kist soms naast de fiets of vloog eraf. In het kistje zaten kleine flesjes met een conserveringstabletje, afgesloten met een kurkje. Per koe een flesje, waar je de naam en het nummer op schreef. De emmer melk werd gewogen en daaruit schepte je ’s avonds en ‘s morgens 10 cc melk in het flesje. Er was een boekje bij, waarin je het aantal liters melk per koe moest noteren. Het kistje ging met de melkrijder mee naar de zuivelfabriek, waar de melkmonsters werden onderzocht op vet- en – zeer waarschijnlijk – eiwitgehalte. Deze gegevens werden bijgeschreven in het boekje en zo kreeg je een overzicht per koe. Aan de hand van deze gegevens werd de melkprijs bepaald. Dit deed ik vijf dagen in de week, bij vijf verschillende boeren. Je verdiende er weinig mee, maar alle beetjes hielpen.

In de jaren vijftig was ik een teenager en ging ik naar de Christelijke Lagere Landbouwschool van meester Makkink aan de Hummeloseweg. Als je ’s morgens zo vroeg was opgestaan om te werken en daarna nog naar school moest, zat je weleens te knikkebollen, vooral in de winter was het zwaar. Je ging niet alle dagen naar school. Of we op zaterdag naar school moesten, dat weet ik niet meer, maar na vier jaar had ik het wel gezien. In die tijd begonnen we ook met melk rijden, met paard en wagen. Alle volle melkbussen ophalen bij de boeren en naar de zuivelfabriek brengen en dan de lege bussen weer terug. Voor f 4,75 per dag!De zandweg door de enk was goed te berijden, daar was het droog. Verderop naar Het Broek, was de weg vaak slecht. Er zaten zulke slechte plekken in dat de melkwagen er soms bijna niet door kon. Dan moest je voorspannen, dat wil zeggen een extra paard erbij gaan halen. Burgemeester Langman heeft indertijd veel verharde wegen laten aanleggen. Later heb ik ook nog melk gereden met een oud tractortje. Het verdiende geld mochten we zelf houden als spaarpotje voor later. Voor beide zonen was er geen plaats op de boerderij. Ik wilde graag boer worden. Mijn broer had minder belangstelling, die solliciteerde als arbeider op de zuivelfabriek, zo was het probleem opgelost. Ik ben heel lang bij mijn ouders thuis gebleven, ik was een laatbloeier en al ruim dertig toen ik trouwde. Mijn vader en ik werkten altijd samen, we gingen ook samen de buurt in om te helpen. We hadden maar een klein boerderijtje en moesten dat wel gaande houden. Als ik terugkijk hoe het toen was en naar de boerderij van mijn zoon nu, dat is niet te vergelijken, toen waren er gelukkig niet zo veel regels als nu! Het bedrijfje groeide en er kwam een melkmachine, al had dat wel een reden! Ik was in die tijd misschien een beetje onbesuisd. Tijdens het plaatsen van de gecreosoteerde weidepalen sloeg je die aan de bovenkant makkelijk stuk, daarom zette mijn vader er een leeg conservenblik op, zodat ik stevig kon slaan. Op een gegeven moment zei mijn vader: “Ho!” Dat had ik niet gehoord, hij wilde het blik eraf pakken en ik sloeg hem keihard met de ijzeren hamer op zijn hand. Je kunt wel nagaan wat er is gebeurd. Hij kon niet meer melken, dat was de reden dat wij aan de melkmachine zijn begonnen. Als een soort fysiotherapie ging hij met zijn billen op de vingers zitten om ze weer recht te krijgen. Het is later nog redelijk goed gekomen met de vingers. We gingen uit werken bij grote boeren en dan werd er gezegd: “We gaan mest rijden met staand gevaar.” Dat wil zeggen twee paarden en twee wagens met berijder. De boer zorgde er wel voor dat hij berijder was en op het land de hopen mest kon neerleggen. Je moest dan de hele dag mest laden uit de vaaltstal, als de ene kar vol was, stond de andere al weer te wachten. Soms hadden in de vaaltstal ossen gelopen, die de mest goed hadden aangetrapt, dan was het keiharde arbeid. Het is geen wonder dat onze gewrichten nu soms opspelen.

Wij hadden al ver voor de jaren vijftig elektriciteit. De Duitsers hadden in de oorlog een elektriciteitslijn lijn van ‘Boenink van Weetink’ tot aan de Doetinchemseweg. Bij Oostelijke Oldenhave, Berkelaar van Nijenhave, bij ons op Haitink en bij Ter Maat waren altijd Duitsers ingekwartierd. Wanneer de rest van Zelhem elektriciteit heeft gekregen, weet ik niet. In de jaren vijftig moesten we nog met de hand water pompen voor de koeien. Later kwam de eigen elektrische motorpomp met een groot 500 liter watervat en kregen we kranen in huis en zelfdrinkers aan de reppels (sommigen zeggen vassels tegen de palen) waaraan de koeien vast stonden. Een douche kenden we toen nog niet. De telefoon kwam ook pas later. Zo rond 1960 kochten we onze eerste televisie. We hadden De Graafschapbode als krant, die heet nu De Gelderlander. Zo bleven we op hoogte van het nieuws: de polio-epidemie, de watersnoodramp in 1953 en het hoogtepunt van de Koude Oorlog in 1956. In dat jaar ging ik onder dienst. Je moest met je tentje op bivak, vlak bij een meertje ergens in Duitsland. Watervoorziening was er niet, je moest met de helm het ijs kapotslaan om je te kunnen wassen. We hebben in dienst niet veel uitgevoerd. Ik was bij de Artillerie, maar heb nooit iets afgeschoten, daar zorgde ik wel voor. Met een groot strijkijzer heb ik uniformen geperst, voor de kapitein en de jongens, daar hield ik nog een centje aan over. In militaire dienst had ik rijles, daar ging alles op alfabet, mijn naam begon met een W. Dat was pech; voordat ik examen kon doen waren er al chauffeurs genoeg. Naderhand heb ik thuis drie rijlessen genomen, toen had ik alsnog heel voordelig mijn rijbewijs.
Mijn moeder was vaak ziek, ze lag regelmatig in het ziekenhuis. Mijn vader wilde ’s avonds graag bij haar op ziekenbezoek. Na het melken in de weide zette hij de melkbussen neer bij iemand daar in de buurt. Hij kleedde zich daar om en ging met de fiets naar het ziekenhuis in Doetinchem. Op de terugweg haalde hij dan de melkbussen weer op.

In de herfst werd er thuis geslacht, daar was je een week druk mee. Mijn oom was slachter. Ze haalden het varken uit het hok, dat beest werd tussen de ogen geschoten met een masker, daar zat een patroon in. Vervolgens werd zijn keel doorgesneden en het bloed opgevangen in een schaal en direct met zout vermengd om klonteren te voorkomen. Daarvan werd lekkere bloedworst gemaakt. Het geslachte varken werd op een ladder gehangen en de volgende dag in stukken gesneden. Het spek werd ingezouten in de spekkuip. Mijn tante kwam altijd helpen. Ze maakten ook leverworst, balkenbrij, metworst en longenworst. We hadden een worstmachine, die je met de hand moest draaien. Ooit heb ik daar mijn vinger te ver ingestoken, die is nu wat korter. De worsten werden in de wimme (spijlen tussen de zolderbalken) gehangen om te drogen, ook werd er veel geweckt. Later kwam de diepvries. Bij de coöperatie in Zelhem was een groot diepvrieshuis, een gebouw met een lange gang en daarin allemaal celdeuren, daar kon je een kluisje huren, maar dat is nu nostalgie. We vierden Sinterklaas met kleine cadeautjes, daar was toch geld voor en ook nog wat reserve. Mijn vader heeft vaak verteld dat een buurman geld kwam lenen om de taxi te betalen waarmee zijn vrouw uit het ziekenhuis werd opgehaald.

Mijn ouders waren nogal kerks, we gingen regelmatig naar de kerk en met Kerstmis was het echt feest. In de buurt was het onderling altijd heel gezellig. We kwamen veel bij elkaar, ook met verjaardagen en Nieuwjaar. We gingen Nieuwjaar winnen, je kreeg dan wafels of puffekes (oliebollen) en bowl.In de buurt had je naoberplicht. Je had gewone naobers en een eerste naober, dat was altijd een grote boer, die twee paarden ter beschikking had. Zo kon hij bij ‘rouw en trouw’ voor een koets zorgen. De lijkkoets stond bij het armenhuis in een schuurtje. Bij een begrafenis werd alles door de buurt geregeld. De vrouwen schonken koffie en zorgden voor gesmeerde broodjes. Met het dorsen moest je elkaar ook helpen en met aardappels stomen ging dat net zo. Bij de coöperatie hadden ze een stoomapparaat dat je kon huren. Bart Roosendaal kwam dan langs met dat ding. Het moest worden gestookt met hout om het water aan de kook te brengen. Dan werden de aardappels gestoomd en ingekuild. Het was prima varkensvoer dat je lang kon bewaren. Koeien kunnen rauwe aardappels eten, maar varkens niet, dat was de reden dat ze gingen stomen. Onze veestapel bestond uit 12 à 15 koeien, 10 zeugen, 100 mestvarkens, een paard en ongeveer 200 kippen. Die kippen waren ook een goede bron van inkomsten. De eieren waren indertijd duur, van de opbrengst kon je de wekelijkse boodschappen betalen. We hadden van die grote eierkisten, daar konden 500 eieren in. Een volle kist was loodzwaar! Later kwamen er kleinere kisten voor 360 eieren. Vroeger zaten er niet zoveel kippen in het hok, ze hadden best loopruimte, toch gingen ze elkaar pikken. Dat gebeurde vaak als het broeierig weer was en om dat te voorkomen, gingen ze snavels branden. Het bovenste puntje van de snavel brandden ze eraf, daar voelde de kip niets van. Hij kon nog gewoon eten, maar niet meer gemeen pikken. Kippen waren niet mijn hobby.’

Kijk ook eens op: