Heidenhoek: ”Ik weet nog dat ik bij vader achter op de fiets zat …”

Bussink_portret
Dhr. B.J. Bussink (geb.1941)

Het kleine weggetje naar de Heidenhoek in Zelhem mis ik in eerste instantie. Eenmaal in de buurtschap kom ik in een landelijke omgeving met weilanden, bos, hier en daar een boerderij en een zandweg. Op Vloedweg 1a zie ik een halfvrijstaande woning met schuren. Mijn blik wordt getrokken naar een groentetuin waar ik jaloers van word. Bij binnenkomst is er vooral eerst koffie. Daarna nemen we plaats aan de ronde tafel in de woonkeuken: het kloppend hart van het huis van de familie Bussink, van waaruit ze voorheen hun loonwerkbedrijf voerden.  Aan het woord is dhr. Bussink (71).

Tekst Eefje Huisman, beeld Peter van Dinther

‘We woonden in de kern van de Heidenhoek, ik ben er in 1941 geboren en getogen. Mijn broer en ik waren met zijn tweeën. Er zat een gat van acht jaar tussen ons in en dat is als kind zijnde heel veel. De hele regio was op deze kern aangewezen. Je hoefde alleen voor de kapper naar Zelhem. In de Heidenhoek hadden we de firma Boeijink. Een buurtsuper, bakker, kolenhandel, diverse soorten meel enzovoorts. Opa Boeijink had een molen. Hij heeft er op een gegeven moment vijf huuskes bij gezet, naast elkaar. Voor zijn vijf kinderen, drie dochters en twee zonen. Voor elk kind dus een huusken. En een smederij, dat paste mijn vader wel, om te huren. Verder was er een druk verenigingsleven. Zoals de zang of toneelvereniging. De nog steeds bestaande buurtvereniging hield jaarlijks een buurtfeest met o.a. volksspelen en toneelstuk. Er was ook een damclub. Ik moest helpen met het opruimen van de smederij als er ’s avonds werd geoefend. Als het niet in de smederij kon, dan werd er bij Boeijink in het pakhuis geoefend. Tussen de eierkisten die boeren hadden geleverd.

foto

Mijn opa van vaders kant heb ik nooit gekend. Mijn vader heeft vaak verteld hoe opa hem het aambeeld kwam brengen. Op de kar achter het paard. “Woar moj ’m hebb’n?” Tweehonderdzestig kilo zwaar. Hij heeft het loodzware ding in zijn eentje op het blok gezet. Mijn broer heeft de smederij naderhand van vader overgenomen, hij wilde graag smid worden, maar nu is hij er ook al niet meer. De smederij is helemaal opgedoekt en het aambeeld staat nu hier in de schuur. Ik wilde het graag hebben. Vader heeft erop staan torsen en ik mocht erop houwen. Vader en mijn broer natuurlijk het langst. Vader was smid, maar verkocht ook fietsen en brommers. Daarnaast hadden we een winkel in huishoudelijke artikelen: glaswerk, kopjes, pannetjes en dergelijke. Moeder was de winkeljuffrouw. We verkochten veel wekflessen: halve, hele, anderhalve en tweeliterflessen. Platte, dubbele en dikke ringen. Toentertijd werd er nog veel ingemaakt, zoals groenten en vlees. Boven hadden we schotten afgetimmerd, waar de flessen netjes verpakt lagen opgeslagen. Als er iemand flessen nodig had, mocht ik het laddertje opklimmen om ze te gaan halen, want anders moest moeder dat zelf doen. Na verloop van tijd kwam er bij Boeijink een gemeenschapskluis (diepvriesruimte). Herr Kusmann, die heeft hem gemaakt. Je kon er een loketje huren.

Bussink_sep66Er zat een nummer bij en dan hing bij Boeijink een reservesleutel op kantoor. Zelf had je ook een sleuteltje, een ander kon nooit in jouw kluisje komen. Daar werd toen veel gebruik van gemaakt. De verkoop van wekflessen liep hierdoor flink terug. Ik weet nog dat ik bij vader achter op de fiets zat, en zag dat de bosgrond aan de Nijmansedijk terecht gemaakt werd, zo noemden ze dat. In cultuur gebracht. Daar lag een smalspoor waar klapkarren over konden rijden. Er kwamen mensen uit de buurt van Wehl en Kilder, die de stronken eruit haalden. Daarna werd het weiland. Het was er een beetje laag. Hier had je allemaal hoge kampen met graan. Dat weet ik nog dat ik achter op de fiets zat. Vader pruimde en als je dan de wind een beetje voor had en vader ‘ptt…’ was het net of je sproeten had. Moeder had een gloeiende hekel aan dat pruimen. Soms spiejde hij in de kolentuit. “Zit niet zo te kwalsteren, de kolentuit verrot helemaal”, zei ze dan, waarop vader antwoordde: “D’r zult langer kolentuiten weaz’n as ikke.” Wij haalden weleens pruimtabak voor hem, want moeder schreef ook zo weinig op in het boodschappenboekje. Dat boekje bracht je naar Boeijink. Daar werden de boodschappen dan klaargemaakt en kon je ze naderhand ophalen.  Bussink_graanoogst2

Toen ik nog klein was kreeg mijn moeder last van ischias (zenuwpijn red.) en moest ik naar opa en oma van moeders kant. Daar ben ik een hele poos geweest. Eens in de week gingen we naar de molenaar met de eierkisten, van die grote waar vijfhonderd eieren in konden. Je nam dan meel mee terug voor de varkens en van die grote lijn(zaad)koeken voor de koeien. Je kreeg daarnaast ook nog geld mee omdat die eieren zo veel opgebracht hadden. Ze konden er de varkens, koeien en de kippen van voeren en ook nog een knecht van betalen. Er waren hier in de omgeving heel veel kleine boertjes. Gemengde bedrijfjes met bouw en weiland.
Ik ging in IJzevoorde naar de School met de Bijbel. Bij slecht weer met sneeuw en zo bleven we over in de broodschool. Er zaten zo’n twaalf kinderen in de klas en twee klassen bij elkaar. Na de lagere school ging ik naar de Ambachtsschool in Doetinchem. ’s Zaterdags ook naar school tot aan de middag. De eerste twee jaar was voor iedereen hetzelfde en daarna moest je kiezen welke richting je op wilde. Omdat vader de smederij had en ook met landbouwwerktuigen werkte, ging ik leren voor landbouwmonteur. Mijn broer had al voor de smederij gekozen. Toen ik – zestien jaar oud – van de ambachtsschool kwam, ben ik daar met loonwerken begonnen. Dat leek me wel iets. Ik begon met een trekker met een maaibalk en een ploegje zodat je kon ploegen. Dat groeide zo door, er kwam een meststrooier bij, een graanmaaier-zelfbinder enzovoort. Tot mijn achttiende mocht ik officieel nog geen rekeningen schrijven, dat moest mijn broer dan zogenaamd voor mij doen. Daar werden we van hogerhand op gewezen.
De zaadbouw dat vond ik mooi. Rogge, haver, gerst, tarwe. Wintergerst heb ik ook gedorst, dat kan al in juli. Dan kwam de zomergerst en daarna pas de rogge. Op 10 augustus moesten de knollen erin. Dat was de datum, de 11de groeiden ze zogenaamd niet meer. Rogge werd altijd later geoogst. Daardoor heeft rogge plaatsgemaakt voor gerst, dat eerder geoogst kon worden. De knollen werden na de oogst ingekuild in ronde betonnen silo’s. Dat stonk verschrikkelijk. Zodra de knollen aan de koeien gevoerd werden, kon je het aan de melk proeven en aan de boer ruiken. Wat hebben wij een ontwikkelingen meegemaakt in dat zaadgebeuren. Vroeger moest je maaien met de zicht, daarna kwam er een machine achter het paard. De gedroogde garven (schoven red.) gingen in de zaadberg (hooiberg red.) of men maakte een mijt die taps toeliep in een puntje. Een berg heeft hier meestal een ronde kap. Het koren werd ’s winters gedorst met hulp van de buurt. Later kwam de graanmaaier-zelfbinder en daarna de combines. In 1964 kochten we de eerste combine van Brinkmann & Niemeijer uit Zutphen. De Melabo in Zelhem, dealer van Massey Fergusons, had er vijf verkocht. Op een vroege ochtend ging het in optocht van Zutphen naar Zelhem. Ik had er nog nooit opgezeten. Drie meter maaibreedte en dan sturen. Kom je in Hummelo op de Broekstraat bij een bruggetje. Ik ben er schoorvoetend overheen gegaan. Lukt die kant … die kant? Na verloop van tijd kon je er bijna met de ogen dicht overheen jagen. Nu hebben we bijna geen stronk rogge meer in de buurt; de meesten zijn veeboer geworden.

Bussink_maissoogst1

We wilden gaan trouwen en in de regio blijven. We hadden al tijden gezocht naar een plek om te bouwen, maar dat werd te duur en we moesten van de gemeente Zelhem een schuur bouwen met muren rondom. Dat wilden we niet, wij wilden een karloods, met één lange kant open. Nadat de man van tante Jet verongelukt was, woonde ze alléén op dit adres. Wij hadden hier toen al onze meststrooier in het karloodsje staan en deden werk voor haar. Op een dag heeft vader de stoute schoenen aangetrokken en is hierheen gestapt. “Bussink”, zei ze, “Ik weet waarom je hier komt.” Wij kregen er een moeder bij, zo klikte het. Voor we er in konden, moest er verbouwd worden. Dit was de achterkant van de boerderij, hier stonden eerder de koeien, de varkens en het paard. Om het huis heen was het een modderpoel en de verbouwing was nog niet klaar, maar in december trouwden we toch. Dan kreeg je geld terug van de belasting hadden we gehoord. Dat gold alleen jammer genoeg niet voor zelfstandigen, kwamen we later achter. De bloemen die we gekregen hadden, hingen de volgende morgen allemaal in de vensterbank. Het was veel te warm geworden in de kamer. Oorzaak: de kolenkachel! Er zat een klein kooltje tussen het vuldeksel. Hierdoor kwam er lucht bij en werd het vuur door de trek aangewakkerd. We moesten het kachel stoken nog leren. Thuis mocht je alleen de kolenkit vol scheppen, maar van de kachel moest je afblijven en Gerda (mijn vrouw) was thuis een oliekachel gewend. Toen we hier begonnen, konden we eerst geen telefoon krijgen. Vader die er wel één had, kwam soms wel vier of vijf keer op een dag hierheen fietsen om een boodschap over te brengen. Uiteindelijk zei vader: “Weet je wat, je bent ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, daar zal ik eens heen bellen.” Binnen een week hadden we telefoon, nummer 777. Ik heb drie periodes meegemaakt dat de huizen andere nummers hadden. In het begin had ieder huis in Heidenhoek een B en een cijfer. De dorpskern van Zelhem had de A, de C was van de Wassinkbrink en de D voor Winkelshoek. De huisnummers werden bepaald door de volgorde van bouw in de buurtschap en lagen zodoende door elkaar heen. De vijf huuskes kregen B 39 a enzovoort naar het huisnummer van Boeiijnk. Eerst had een huis bijvoorbeeld B39a en na de volgende herindeling B51. De laatste keer veranderde het in een weg of straatnaam met een huisnummer. De boerderijen hadden allemaal een eigen naam. De mensen in de buurt werden vaak naar de naam van hun boerderij genoemd. Bijvoorbeeld Hendrik Luesink werd Hendrik van Jolink genoemd naar zijn boerderij. Luesink werd niet genoemd, dat moest je maar net weten. Maar ook ieder stuk grond had een naam, zoals Brugginksheide, Tinksheide, Teggelengat of Noadzak. Als je hier niet vandaan kwam, zoals Gerda, moest je dat allemaal eerst leren.

Tot slot een heel oud gebruik in de buurt. Een meiboom zetten bij een huis in aanbouw. Net voor de pannen erop liggen. Normaliter moet de meiboom boven het gebouw uitsteken. Voorheen werd er door de timmerman een ladder van gemaakt. Hij zaagde de stam doormidden en er kwamen sporten tussen. De opzet was dat men een lange ladder kreeg voor al het onderhoud van het huis. De eerste naober houdt de bouw in de gaten en roept als het zover is de buurt bijeen. De vrouwen gaan papieren roosjes maken. De mannen vertrekken naar het meiboombos om de boom te zagen. De onderste takken gaan eraf tot er bovenaan een mooi boompje overblijft. Het snoeihout wordt gebruikt om een ring van te maken die er onder moet komen te hangen met lege flessen eraan en de roosjes. Met luid zingende buurkinderen en de meiboom op een wagen gaat de hele stoet op pad. De mannen gaan voorop en graven een gat waar de boom, met behulp van een ladder, in geplant wordt. De eerste naober vraagt ‘de mensen’ of ze willen komen kijken en het door de vrouwen gemaakte gedichtje hardop willen voorlezen. Het begint vaak met: “Als bij ’t een of andere pand, een meiboom wordt geplant…” en eindigt met: “…nat maken.” Dat betekent dat men er een borreltje op gaat nemen.’

Kijk ook eens op: