Heidenhoek: ”Eén van die onderduikers had een heel mooie boog met pijlen.”

HenkWassinkPortret
Henk Wassink (geb. 1935)

Het is goed weer en de omgeving prachtig, dus besluit ik op de fiets te gaan. Het huis waar Henk Wassink (77) woont, is even zoeken. Het ligt een beetje verscholen achter bomen en hoge struiken. Aan de achterkant heeft hij vrij uitzicht over het open land. Henk woonde bij zijn ouders aan de Vloedweg, in buurtschap Heidenhoek bij Zelhem. Na zijn huwelijk in 1966 ging hij met zijn vrouw iets buiten Doetinchem wonen. Zijn vrouw is bij het gesprek aanwezig, maar ze belooft haar mond te houden. De kanarie verhuist zolang naar de keuken.

Tekst Henny Oosterbaan, beeld Peter van Dinther

‘Het eerste dat ik me van vroeger kan herinneren, is dat ik op een gegeven moment weg was. Ik zal een jaar of drie, vier geweest zijn. Ze zochten me, maar konden me niet vinden. Ik was namelijk op het weiland waar ze gehooid hadden in een opper (stapel hooi red.) gekropen. En daar was ik in slaap gevallen, want het was heerlijk warm daarbinnen.
Van een jaar later weet ik ook nog dat er een kippenhok, in zijn geheel, getransporteerd moest worden van het oude huis naar het nieuwe. Daarvoor werd dat hok op rollen gezet. Dat waren boomstammetjes van een meter of vier lang. Ongeveer twintig van die boomstammetjes werden op de grond gelegd en daar kwam het kippenhok dan bovenop. Zo konden ze het verschuiven.
Mijn vader was een keuterboer. Hij had een bunder (hectare red.) of vijf eigen grond. Het was niet echt groot. Hij had een paar koeien, varkens, kippen en een paard en verder verbouwde hij graan, aardappelen, voederbieten. Mijn moeder verzorgde de dieren. Ze voerde de koeien en zorgde voor water. Omdat er nog geen waterleiding was, moest het water gepompt worden en emmer voor emmer naar de koeien gebracht. Mijn moeder had dus heel wat te sjouwen, hoewel wij kinderen vaak moesten helpen. Ook het melken was een taak van mijn moeder. Ik heb het weleens geprobeerd, maar ik vond er niets aan. Melken heb ik dus nooit geleerd.

Zoals gezegd, hadden we kippen. De eieren verkochten we aan de kruidenier, want eieren waren veel te duur om zelf op te eten. Ik heb het idee dat de prijs van eieren toen net zo hoog was als de prijs nu. Over de kippen, of liever de haan, heb ik nog een mooi verhaal. In de oorlog hadden we onderduikers. Eén van die onderduikers had een heel mooie boog met pijlen. Die kregen wij als knapen en die gingen we natuurlijk meteen proberen. Per ongeluk schoten wij de haan die daar rondliep precies door zijn lel en die liep toen met die pijl rond. Dat was wel mooi. Mijn vader hoorde dat pas ’s avonds na zijn werk, hij was gelukkig niet heel boos. We aten dus geen eieren maar wel vlees, varkensvlees. We hadden een stuk zes varkens die bijna allemaal geslacht werden. Dat gebeurde door een slachter die ergens in de buurt woonde. Het vlees was voor onszelf en dat verwerkten we zelf. Zo werd het spek ingezouten, het ging in een grote kist met veel zout erin. Naderhand werd het dan in de wimme (latwerk waaraan vlees te drogen hing red.),   aan de zolder, gehangen om te drogen. Het vlees werd door mijn moeder in grote flessen geweckt, die ze in de kelder bewaarde. Later, zo rond 1960 denk ik, ging het vlees naar het vrieshuisje bij de kruidenier. Ook worst maakte mijn moeder zelf. Als kinderen mochten wij dan weleens aan het worstmachientje draaien.

HenkWassinkLuchtfoto

Mijn vader had één paard, dat hij hoofdzakelijk voor het land gebruikte bij het ploegen en om de rogge van het land te halen. Hij gebruikte het paard ook om de rogge met de kar naar de maalderij te brengen en eventueel meel op te halen. Dat gebeurde niet met de wagen. Wat het verschil is tussen een kar en een wagen? Een kar heeft twee wielen en een wagen vier.
Het werk op het land, zoals zaaien en maaien van de rogge, maar ook het omspitten van de groentetuin was het werk van mijn vader. Rogge maaien ging met een zicht. Dat is een soort zeis maar dan met een korte steel en een lus. Met een zicht moest je als het ware slaan. Bij een zicht hoorde een mathaak om de rogge mee bij elkaar te halen. Na het maaien bond mijn moeder de rogge tot garven. Daarvoor trok ze er een zeel uit, sloeg die om de garf en knoopte die op een bepaalde manier vast. Als de rogge droog was, werden de garven met paard en wagen opgehaald en in een stroberg opgetast. Na het dorsen gingen de graankorrels naar de molenaar.

HenkWassinkbijHuis
In de groentetuin verbouwden we onze eigen groenten. Hoofdzakelijk sla, wortels, pompwortels en bonen. Die werden ook weer geweckt. Bijna alles werd geweckt. We hadden zelfs flessen van twee liter meen ik. Anderhalf zeer zeker. Tegenwoordig zijn het maar kleintjes, als er nog geweckt wordt. Wij doen dat nog wel. We vinden groenten uit de weck lekkerder dan uit de diepvries. Bepaalde groenten dan, zoals slabonen. Mijn broer en ik hielpen ook mee op het land. We moesten onder andere roet plukken, dat is onkruid tussen de wortels weg plukken. Die wortels stonden in grote rijen op het land en waren hoofdzakelijk voor het vee. Het uitdunnen van de wortels was ook een werkje voor mijn broer en mij. En zo af en toe schoffelen.
Mijn vader heeft nog een poos heide ontgonnen. Dat was voor de oorlog, maar precies weet ik dat niet meer. Voor dat ontginnen werd eerst de hei eraf gehaald en dan werd de grond als het ware omgezet. Ik meen zelfs dat het dubbel omgezet werd. Dus eerst één steek en dan nog een steek dieper. Door die hei te ontginnen kreeg mijn vader meer landbouwgrond.
Na de oorlog heeft hij ook nog heel lang telefoonpalen geteerd. Die palen stonden destijds bovengronds. De grond om de paal moest hij eerst uitgraven en dan werd om de paal heen teer gesmeerd. Dat was tegen het vocht, zodat ze langer bleven staan.

In de Heidenhoek waren verschillende voorzieningen. Er was een molenaar die tevens bakker en kruidenier was. Niet alleen maalde hij het (rogge)graan, hij bakte er ook brood van. Wij gebruikten het roggemeel ook als varkensvoer. De molenaar leverde ook kolen. Er was nog geen gas en mijn moeder stookte het fornuis met kolen. Behalve om op te koken, werd het fornuis ook gebruikt om het huis mee te verwarmen.
Verder was er in de Heidenhoek nog een smederij waar tevens huishoudelijke artikelen en petroleum voor de verlichting verkocht werden. Die petroleum haalden we op de fiets, in een klein model melkbus. Later, toen het fornuis op gas werd gestookt, haalden we de gasbussen ook bij de smid. Mijn vader had de fiets zo gemaakt dat hij twee bussen voor de petroleum of voor het gas achter aan de drager kon hangen.
Voor het dagelijkse leven was het meeste dus wel in de Heidenhoek verkrijgbaar, maar voor kleding en dergelijke moesten we naar het dorp, naar Zelhem. En dan had je natuurlijk nog de melkfabriek. Elke morgen werd de melk opgehaald en dan kon het zijn dat er karnemelk of alleen ondermelk mee terugkwam. Boter of kaas moesten we speciaal bestellen en betalen.

Of de buurt een belangrijke rol speelde, weet ik niet meer zo precies, maar ik weet wel dat er veel gezamenlijk werd gedaan. Toen rond de jaren vijftig de eerste machines kwamen, dat waren maaimachines voor de rogge, deden we het werk samen met de buren. De machine was van de buurman, die ermee bij ons kwam om te maaien en te binden. Het binden gebeurde meestal met vijf, zes binders en bindsters. Wij op onze beurt hielpen de buurman. Ook het dorsen werd gezamenlijk gedaan. De dorsmachine was vaak van een vereniging, de landbouwwerktuigenvereniging. Zo’n machine kon je huren, maar soms was er iemand die zelf een dorsmachine had en daarmee rondtrok. Bij ons kwam de dorsmachine niet van de vereniging, bij ons was het altijd iemand uit de buurt.
En verder speelde de buurt een rol bij begrafenissen en trouwerijen. Bij begrafenissen werd in eerste instantie gekeken wie er een paard en wagen had. En dan werd degene die gestorven was door de buren afgelegd. Netjes gewassen en gekleed en dan in de kist gelegd. Dat was hoofdzakelijk werk van de mannen … alhoewel, het kon zijn dat het door de vrouwen gebeurde. In elk geval werd de overledene door de buren gekist en met paard en wagen naar de begraafplaats gebracht. Ook bij trouwerijen speelde de buurt een rol. Dan reden de buren het bruidspaar met paard en wagen naar het stadhuis. Maar een trouwerij was eigenlijk vooral feestvieren.

Van school herinner ik me nog de eerste dag dat ik naar school ging. Het schooljaar begon toen nog in april, niet in september zoals later. Ik was zes jaar, dus het moet in ’42 geweest zijn. Die eerste dag werd ik naar een buurmeisje gebracht dat een heel stuk ouder was en zij nam me mee naar school. Een zusje van dat buurmeisje ging ook mee. De school was in IJzevoorde, dat was dik een half uur lopen. Toen betekende dat niets. Onderweg gingen er weer een paar kinderen mee, dat groeide onderweg gewoon zo aan. We liepen op klompen want schoenen kenden we niet. Schoenen kwamen zo rond de jaren vijftig denk ik. Tenminste voor ons, want zelfs ’s zondags hadden we geen schoenen.
Hoewel de school acht klassen had, heb ik er zes afgemaakt want ik ging naar de vervolgschool: de ULO in Doetinchem. Die heb ik niet afgemaakt, omdat ik geen zin meer in leren had. Toen ben ik fietsenmaker geworden en ben ik drie jaar fietsenmaker in Zelhem geweest. Dat was tot 1955, toen moest ik in militaire dienst.
Ik wilde geen boerenbedrijf, dat was gewoon te hard werken. Mijn vader en moeder heb ik echter nooit horen klagen. Het werk moest gewoon gebeuren. Klaar. Maar ik hielp altijd wel veel mee op de boerderij. Ook toen we getrouwd waren, toen kwamen we hier bij in en dan hielp ik ook, ’s avonds als ik van het werk kwam.

Godsdienst speelde bij ons thuis niet, maar de kinderen moesten wel naar catechisatie en we gingen ook naar een christelijke school. Ik ben een jaar of zes naar de zondagsschool in de Heidenhoek geweest, dat was in een apart gebouw. Maar omdat dat gebouw in de oorlog door de Duitsers gevorderd was, kregen we toen vaak zondagsschool bij boeren aan huis. Dus we kregen wel iets van het geloof mee, maar of we er iets mee deden dat moesten we zelf weten.

Er was een rijk verenigingsleven in de Heidenhoek. De eerste vereniging waar ik lid van was, was de jongelingenvereniging, de jongemannenvereniging. Dat was voor de gezelligheid. Er kwamen kinderen van verschillende scholen. Het was een christelijke vereniging en we begonnen vaak met een gebed. Vervolgens werd er een lied gezongen en deden we spelletjes. Of er werd een verhaal verteld, een willekeurig verhaal, dat door één van de leden werd voorgelezen. Elk jaar was er een toneeluitvoering waar ik met veel plezier aan meedeed. En verder deed ik aan volleybal, dat onder de gymnastiekvereniging viel, en aan dammen. Of het verenigingsleven belangrijk was? Ja en nee. Ja, het was er gezellig en je ontmoette mensen. Maar het was hoofdzakelijk voor het spel waar je om ging.
Wat feesten betreft gingen we nooit naar de kermis, we waren geen kermismensen, maar vierden we zo rond 31 augustus het Oranjefeest. Dan was er vogelschieten, schijfschieten, vogelknuppelen, zaklopen, wat had je nog meer, ja, busgooien. Je kon overal prijzen mee winnen, waar de hele buurtschap een bepaalde inleg voor deed. ’s Avonds was het nog een biertje drinken in de tent. Die werd gehuurd, want er was in de Heidenhoek geen café. Ja, behalve hard werken was er ook veel gezelligheid in de Heidenhoek.’

Kijk ook eens op: