Heidenhoek: ”De Heidenhoek is gewoon ’t mooiste stuksken Zelhem.”

MevrWolsinkportret
Willy Wolsink-Hagelstein (geb. 1934)

Als je ter hoogte van boerderij Weetink aan de Doetinchemseweg 75 de Heidenhoekweg inslaat en de Oude Spoorbaan oversteekt, verandert plotsklaps de belevingswereld. Dit is een andere tijd, een andere werkelijkheid. De weg slingert door het oude, glooiende landschap en je wordt overvallen door een gevoel van rust en gemoedelijkheid. Links en rechts een oude boerderij, afgewisseld met af en toe wat plukjes meer recente bebouwing. Grote weilanden met grazende koeien, het is er prachtig. Zodra de oude silo van de voormalige Boeijink maalderij in beeld komt valt ook nog iets anders op, namelijk een rij van vijf identieke, vrijstaande jaren dertig woningen keurig naast elkaar. Een bijzonder gegeven. Op huisnummer 14 is Willy Wolsink-Hagelstein geboren en ze heeft er tot haar 76ste jaar met erg veel plezier gewoond. “De Heidenhoek is gewoon ’t mooiste stuksken Zelhem”, zegt ze met veel liefde en trots.

TekstMevrWolsinkOudeFoto Johan Godschalk, beeld Peter van Dinther

‘Op 30 januari 1934 werd ik geboren op nummer B48, de straat werd Slakweg genoemd. Later heette het Heidenhoekweg 14. Mijn ouders waren er vlak voor mijn geboorte komen wonen. Het huis was net als de andere vier in de rij gebouwd door de familie Boeijink. Eerst zat er ook nog een koeienstal en een varkensstal in de woning. Ik had vijf broers en twee zussen. Een heel gezin. Mijn vader overleed toen ik acht jaar was. Inmiddels zijn ze allemaal overleden en ben ik alleen over. Mijn man kwam van Wolfersveen en trok in 1956 bij ons in. Op een broer na was toen iedereen het huis al uit. Die broer bleef thuis wonen, omdat hij gezondheidsproblemen had. Een andere broer van mij woonde tijdelijk in de huidige bijkeuken, totdat er een huis in Zelhem dorp vrijkwam. Toen de familie Boeijink deze vijf huizen bouwde in het midden van de jaren dertig, kwam er eigenlijk geen enkele boer te wonen. Voor de rest waren het eigenlijk allemaal boeren in de Heidenhoek, zoals de families Bruggink, Boenink, Wentink, Jansen Venneboer, Velthorst, Luesink en Ankersmit. Later is dat boeren zo geleidelijk aan bijna geheel verdwenen. Iedereen ging bij Boeijink naar de winkel. Dat was ook wel gezellig. Er stond een bank in de winkel, daar gingen mensen zitten en werd er gepraat. Ik heb er zelf ook gewerkt, bij Henk (Boeijink red.) zijn moeder in de huishouding. Ik was toen een jaar of 17. Eigenlijk ben ik direct na de lagere school al gaan werken.Ik ben in Zelhem dorp naar school gegaan. Altijd lopend. Later ging ons jongste broertje ook mee. Die had zelf een fiets in elkaar gezet met van die massieve banden. Dan mocht ik achterop zitten. We hadden een broodtas bij ons, omdat we altijd overbleven. Bij het overblijven kregen we altijd melk in van die speciale ronde kommen. We liepen een half uur heen en een half uur terug naar school, dus overblijven was noodzakelijk. Volgens mij waren de schooltijden van 9 tot 12 en van half 2 tot half 4. In de Heidenhoek vond ik het altijd heel vrij wonen. Als we in de woonkamer aan tafel zaten en het blad was van de bomen, dan konden we tot aan de Slangenburg kijken. Dat is heel mooi en geeft een vrij gevoel. Mijn kinderen zijn in IJzevoorde naar school gegaan. Toen was de Lageweg nog zandweg en gingen ze over het pad dat nu Kolkstroeterpad heet. Later werd de weg verhard en gingen ze zo naar IJzevoorde.

MevrWolsinkHuiszwAls ik aan mijn kindertijd terugdenk, dan was dat echt het vrije leven. Zowel het buitenaf wonen zo tussen de weilanden en tegen de Slangenburgse bossen aan, maar zeker ook als jongste in zo’n groot gezin ‘kom ie d’r altied onder bie an, we-j wel’. De jongens gingen vaak voetballen en dan mocht ik weleens mee. Als er dan kattenkwaad werd uitgehaald, mocht ik dat natuurlijk niet vertellen thuis. Zo gaat dat in een groot gezin. De jongens waren belangrijk, maar ik heb niet het idee dat ik vergeten werd omdat ik een meisje was. Helemaal niet. Ik moest ook al vroeg veel meehelpen. Zeker omdat mijn vader al vroeg overleed en mijn moeder nog weleens ziek was. Gelukkig was ik altijd wel gezond. We hadden als kinderen ook ruimte zat om buiten te spelen. Maar, we hadden het zeker niet breed in die tijd. Vader was veel ziek. Hij heeft lang ‘op de hut’ gewerkt, bij de ijzergieterij in Langerak. Toen ik nog heel klein was, ging mijn vader lopend naar zijn werk. Later met de fiets. Mijn oudere broers die al aan het werk waren en geld verdienden, moesten allemaal bijdragen aan de huishouding, want anders ging het gewoon niet. Als we een buurman vroegen om ergens mee te helpen, dan werd dit natuurlijk gewoon gedaan. Heel erg vaak hoefde dit niet, want we konden ons meestal best redden. Ik weet nog dat toen mijn vader stierf, dat de families Boenink en Bruggink karren hadden. Als naaste buurt van ons reden zij mijn vader over de Barinkweg naar het kerkhof in Zelhem. We gingen vroeger niet vaak naar de kerk. Mijn vader was van huis uit niet erg aan de kerk gebonden, mijn moeder wel. Hun eerste kinderen werden gedoopt, maar de latere kinderen niet meer. Dit zorgde er voor, dat ze niet meer welkom waren bij haar ouders. Mijn vader besloot toen om niet meer aan de kerk gebonden te willen zijn. Dit was hem te streng en hij koos voor zijn gezin. Voor andere mensen was dit misschien moeilijker om zo te beslissen. Ik ben zelf wel aangenomen, bevestigd en nog altijd lid van de kerk.

 

Vroeger hebben we wel varkens gehad. Dat waren er drie. Eentje werd er dan geslacht en de andere twee werden afgeleverd. De huisslachter Velthorst van de Jolinkdijk kwam dan en hing het varken op de ladder. De andere dag kwam hij het afsnijden en werd er worst en van alles van gemaakt. Hij deed dit werk volgens mij in de hele Heidenhoek. We braadden al het vlees aan en bewaarden het met een beetje vet erbij voor de jus in wekflessen, want een koelkast of diepvries hadden we nog niet. De wekflessen gingen in een wasketel op het fornuis en zo kookten we de wekflessen dicht. Eerder was er veel rogge in de Heidenhoek, bijvoorbeeld ook op het land naast onze buren van Koolenbrander. Mijn vader heeft dit heel lang voor die boer gemaaid met de zicht (soort zeis red.). Mijn moeder ging het dan binden en later werd het opgezet. Wij kinderen gingen dan de ‘oarnen gaarn’. Heel veel bossen, wie de grootste bos kon maken. Dit bonden we samen met de steel van de rogge, om het vervolgens aan de varkens te voeren. Volgens mij werd er ook zelf gedorst. In een agrarisch gebied ruikt het altijd wel, soms lekker en soms minder lekker. Tegenwoordig wordt de mest geïnjecteerd, maar dit was vroeger natuurlijk anders met het ‘aalt varen’.

In de zomer was het altijd heel fijn in de Heidenhoek, lekkere geuren en het vrije gevoel. Bij de Barinkweg was toen een vlondertje over de vloed en daar speelden we veel als kinderen. Dat is nu weg. Daar klommen we ook in de bomen en haalden ondeugd uit. Dat was een mooie tijd, alhoewel we het nu veel beter hebben. We moesten bijvoorbeeld alles met de borstel wassen, ook de smerige kleding van mijn jongste broer die smid was. Later werd hij hoefsmid. Hij werkte lang bij Agelink aan de IJsselkade in Doetinchem. En de klompen werden ‘geschoerd’. Dat deden we weleens met carbid, daar werden ze mooier van. Wat nu gras is achter het huis, was eerder groentetuin. We verbouwden bijvoorbeeld onze eigen aardappels voor de hele winter. Voor de Zelhemse kermis moesten de aardappels uitgegraven worden. Groenten deden we zelf allemaal in de fles. De dagelijkse dingen konden we bij Boeijink kopen. We hadden twee perenbomen in de voortuin, dus die peertjes maakten we ook nog in. Eerder hadden ze bij Boeijink het diepvrieshuisje, daar huurden we een vakje. Dat huisje staat er nog. Later hadden we zelf een vrieskist thuis, dan had je alles bij de hand.

Als kind heb ik zeker herinneringen aan de oorlog. We hadden namelijk een schuilkelder achter in de tuin, aan de zijde van waar Walter Boeijink nu woont. In die kelder moesten we altijd schuilen. Mijn moeder nam dan een kistje mee met belangrijke papieren en een tas met spullen voor de eerste behoeften. De schuilkelder hadden we samen met de toenmalige buren gegraven. Volgens mij was er bij Boeijink op het land ook nog een schuilkelder. Als we dan in onze schuilkelder zaten, was het er heel benauwd. Dat vergeet je nooit meer. ’s Avonds gingen we dan buiten kijken naar de zoeklichten, want dan kon er misschien wel weer wat gebeuren en moesten we de kelder in. De bevrijding herinner ik mij ook nog. Toen mochten we allemaal naar het dorp lopen en gaan kijken. Er hingen allemaal vlaggen. Ik was toen 11 jaar en het was natuurlijk iets geweldigs. In onze familie is gelukkig niemand gesneuveld. En dichtbij in de buurt ook niet.
De buurtvereniging is direct na de bevrijding opgericht en als kinderen deden wij mee aan een optocht. Toen stonden altijd verhalen in de krant over Aornt en Geerte van schrijver Herman van Velzen. Mijn jongste broer ging als Aornt en ik als Geerte, terwijl een andere broer de kar versierd had. Volgens mij is het buurtfeest zo begonnen vlak na de oorlog. Die optocht is niet vaak geweest, misschien zelfs alleen maar de eerste keer. Het feest is eigenlijk altijd in de wei bij Boenink gehouden, links of rechts van de oprit naar hun boerderij. Een keer was het tegenover Bussink in de wei, omdat moeder Boenink was gestorven. Het buurtfeest is altijd belangrijk geweest voor de onderlinge samenhang. Het is gezellig en je spreekt elkaar. Misschien was het eerder hechter, maar dat kan ik niet zeker zeggen. Maar de kinderen, ook die van mij, kwamen vaak terug naar de Heidenhoek om het feest mee te blijven vieren. Naast het buurtfeest gingen we ook dansen bij Nijhof in Halle. Of als er een bepaalde uitvoering was. In de Heidenhoek was toen ook nog een zangvereniging en naar die uitvoeringen gingen we ook. Mijn broers voetbalden allemaal bij Halle, dus daar ging ik dan ook weleens kijken.
Eerst hadden wij geen radio, later wel. In zo’n grote kast met rondingen. Ik denk dat dit in de jaren vijftig was. Oma Koolenbrander, de buurvrouw, had eerder een televisie dan wij. Toen in 1962 prinses Wilhelmina begraven werd, heb ik dat nog bij haar gekeken. Ik herinner me dat alles wit was aangekleed. Toen we nog geen radio of tv hadden, werd er veel gekaart bij ons thuis. Vooral mijn broers deden dit heel graag, kruisjassen en zo. We zaten dan meestal in de kleine keuken met z’n allen om de tafel, want dan hoefde alleen dat vertrek verwarmd te worden. Meerdere ruimten verwarmen, ‘tweedeweggens stokken’, was veel te duur.

Van de veertiger en vijftiger jaren herinner ik mij ook nog dat mijn vijf broers door mijn vader een bloempot op hun hoofden kregen gezet, de haren die uitstaken werden geknipt en dan ging hij er nog met de tondeuse achteraan. Later werd dit op verjaardagen nog vaak aangehaald, als een van de jongens zijn haren wat langer droeg. ‘Ie mot neudeg ’n bloempot op de kop’. Verder was het zo, dat mijn oudste dochter in 1959 werd geboren, en mijn andere dochter in 1962. In de zestiger jaren was ik dus al moeder en had een gezin groot te brengen. Na 1945 en de jaren vijftig, ging het in de jaren zestig allemaal wel een beetje vooruit en beter. Een paar jaar nadat we televisie hadden, kregen we ook een auto. Mijn man Gert was chauffeur van beroep, hij werkte bij de Gelderse Tramwegen. Hij reed een grote vrachtwagen en parkeerde die vaak bij Boeijink op het plein. Met ons grote gezin hebben we veel mooie dingen meegemaakt in de Heidenhoek. Daar ben ik dan ook heel dankbaar voor.’

Kijk ook eens op: