Buitenplaats Laag-Wolfheze: ‘Daar zijn altijd duizend mogelijkheden geweest om te spelen.’

LaagWolfheze_mevrLangelaanvanEeghen_JeannevanPoppel_www
Mevrouw G.M. Langelaan – van Eeghen
Eigenares

De buitenplaats Laag Wolfheze ligt verscholen achter een hoge rododendron. Het tuinpad loopt naar de voordeur. Eenmaal binnen maakt het interieur nieuwsgierig. In de kamer wacht mevrouw Langelaan – van Eeghen op me. Ik schuif mijn stoel vlakbij haar bank, zodat er niets verloren gaat van haar woorden die vertellen over het begin van deze unieke plek. Haar vader heeft in 1916 Laag Wolfheze, een gebied van 240 ha, gekocht van de erfgenamen van de familie van Brakell, waarvan nog 20 ha rond het huis privé-eigendom is. Sinds 1921 is het een buitenplaats, waar al drie generaties hun vakanties doorbrengen.
Jeanne van Poppel

‘We logeerden toen ik erg klein was in augustus zeker drie weken bij de oudtantes op de Pietersberg in Oosterbeek. Het gezin groeide en mijn ouders zochten naar mogelijkheden in de omgeving. Mijn moeder wilde graag een huis laten bouwen in de stijl van een ‘Larense boerderij’. Toen heeft een neef van mijn vader S. de Clercq, hij was architect, een ontwerp gemaakt voor een huis met een rieten dak. In die tijd waren rieten daken een nieuw idee in Nederland.

De woning van de boswachter aan de oude verbindingsweg tussen Wolfheze en kasteel Doorwerth werd het eerst gebouwd. Meteen werd een boswachter benoemd. De eerste was Blankenspoor en van Loenen volgde hem op. Op het terrein groeide toen veel laag eikenhakhout. Ik herinner me dat de plek waar het huis zou komen werd opgehoogd met zand waardoor er een mooi uitzicht was over de tuin. Het huis heette altijd de “Villa” vanwege de loggia’s denk ik. De Oosterbeekse tuinarchitect S. Voorhoeve ontwierp de tuin en in zijn plan stonden onder meer rododendrons en de aanleg van een grasveld. De heggen waren vroeger lager natuurlijk en de paadjes op het terrein waren allemaal begaanbaar. De zoon van van Loenen onderhield nog een tijd het terrein met de zeis. Toen was het nog redelijk. Maar de bosbessen en de heidevelden verdwenen. De wortels van de bomen groeiden op de paden en de varens breidden zich overvloedig uit. We deden tot nu toe in het onderhoud wat we kunnen. Twee jaar geleden lieten we bomen kappen, want we wilden graag het uitzicht weer iets verbeteren. Vroeger zag je vanuit de bovenverdieping van het huis de watertoren en het kerkje dat bij de psychiatrische inrichting in Wolfheze hoorde. Als je boven op zolder stond, zag je in de verte de masten van radio Kootwijk.

In het jaar 1921, het jaar waarin ik 12 jaar werd, bracht ik met mijn broers en zusters de eerste zomervakantie op Laag Wolfheze door. De mooiste plekken waren daar waar je de leukste dingen kon doen. De beken, de Wodanseiken, de beekvijvertjes lieten we altijd zien aan bezoekers en logés in die tijd. Op de hei stond een zogenaamde snoepjesboom waarin we snoepjes verstopten. In het begin speelden we “hoekje om”, een verstopspelletje om het huis. Kort na de tweede oorlog waren de kinderen van mijn zuster helemaal gefascineerd door datgene dat door Airborne-troepen was achtergelaten. Uit een periode van een jongere generatie herinner ik me het bouwen van hutten om daar in te kamperen. We hadden een tennisbaan en die is er nog. Daar zijn altijd duizend mogelijkheden geweest om te spelen.

De fietsen kwamen mee met de trein uit Amsterdam. De kaartjes voor de fiets kosten 30 cent en de fiets haalde je zelf uit de wagon. We kwamen aan in station Wolfheze. Station Wolfheze was lange tijd het enige station tussen Ede en Arnhem. Van en naar het station Arnhem bestelden mijn ouders ook weleens een auto van Aalbers. De broers Aalbers hadden een bekende stalhouderij in Oosterbeek maar toen er geen vraag meer was naar rijtuigen zijn zij overgegaan op een garagebedrijf. In de jaren dertig gebeurde het ook dat we met de taxi vanuit Amsterdam naar Laag Wolfheze kwamen. Dat was in die tijd goedkoop. Mijn vader wandelde vaak vanaf het station Wolfheze en als hij op vrijdagavond voor een weekend aan kwam, bonsde hij op de ramen achter. En er was natuurlijk een tram. Je hoorde de stroomtram al in Heelsum zuchten om hier de berg op te komen. In 1921 sloeg de hele locomotief bij de bocht naar Heelsum om. Dat maakte een vreselijke indruk op ons allen, iedereen ging natuurlijk kijken. In 1925 kwam de elektrische tram. Twee waren er en die gingen tot Arnhem, tot het haventje. Dan holde je van het station naar beneden om die tram nog te halen en als de conducteur goedgemutst was, stopte hij bij het hek voor dit huis. Vanaf ongeveer 1935 reden er bussen, die stopten boven op de heuvel, de Zilverberg. In de buurt waren twee tolhekken. Eén voor de Italiaanse weg en één voor de weg naar Wolfheze. Daar moest je voor betalen. De Italiaanse weg was aangelegd voor de visites van koning Willem III aan de familie van Brakell op kasteel Doorwerth. De bocht in deze weg vlakbij het kasteel vond ik altijd heel spannend.
In 1930 ongeveer haalde ik in Arnhem mijn rijbewijs na lessen bij de broers Aalbers.

We fietsten heel veel en we gingen ook zwemmen. Daarvoor fietsten we naar het zwembad bij Lexkesveer, want we mochten niet zomaar in de Rijn zwemmen. Later was er in Oosterbeek ook een zwembad. Wij lazen boeken gekaft in bruin papier uit de bibliotheek van Romeijn in Oosterbeek. Soms gingen we weleens theedrinken bij herberg de Zalm in Doorwerth. In de tijd van de vakantie op de Pietersberg gingen we met het rijtuig daarnaar toe. Dat vonden we erg leuk, maar je moest je dan wel netjes gedragen. Ook bezochten we de Westerbouwing, decennia lang een begrip in Nederland vanwege het spectaculaire uitzicht en de grote speeltuin. We gingen ook dikwijls naar kasteel Doorwerth. Het plafond van de gevangeniscel met grote spijkers erin bewoog op en neer. Dat maakte altijd veel indruk. Het bezoek aan kasteel Doorwerth was en is nog steeds een geliefde wandeling: heen via de beekvijvertjes over de brug bij Heelsum en dan terug door de bossen van Doorwerth.

Ik herinner me dat we naar de Pietersberg wandelden. Dan ging je altijd langs de Utrechtse weg met rode klinkers in die tijd en dan rechtsaf bij de van Borssele weg. Mijn oudtantes van Eeghen brachten al sinds hun jeugd de zomers door op de Pietersberg en waren bekende figuren in Oosterbeek. De oudtantes waren een beetje het middelpunt van de familie, want wij hadden geen grootouders meer. Ze verwachtten dan ook dat mijn ouders zondagmiddag op bezoek kwamen. Er waren altijd mensen en gasten. Daar waren ze erg op gesteld. Het was de gewoonte dat mensen van de buitens na het kennismaken tijdens de visites elkaar sleutels van de hekjes uitwisselden. Ze hadden zo vrije toegang tot bijvoorbeeld de Pietersberg. De Pietersberg was niet zo vreselijk groot, maar het was natuurlijk allemaal veel mooier onderhouden.

Op de Pietersberg werkten voor de huishouding drie inwonende personeelsleden, maar er kwamen ook mensen overdag uit het dorp. De koetsier zorgde met een palfrenier en een staljongen voor vier á zes paarden. Acht tuinlieden zorgden voor de tuin. Ik herinner me Marie. Zij was de baas en daar waren we wel een beetje bang voor. Haar japon was donkerblauw met van die hele fijne witte stippeltjes. Naast de zitkamer van het personeel was een keuken en daarachter waren ook enige vertrekken voor het strijken en wassen. Aan de andere kant van de vestibule was weer een kamer met de voorraad van de inmaak. In deze vertrekken waren wij niet welkom. Op Laag Wolfheze nam mijn moeder vaak twee meisjes uit Amsterdam mee, die soms weleens heimwee kregen. Ook hielp iemand uit het dorp of één van de dochters van de boswachter ons. We maakten gebruik van de wasserij in Heelsum voor kleding- en linnengoed. Een huisnaaister maakte onze kleding. Ik had een mooie jurk, een jasje en een hoed voor als we deftig in het rijtuig mee moesten of als er bezoek was. Maar ik herinner me, het moet tijdens de eerste wereldoorlog geweest zijn, dat we verschrikkelijk jaloers waren toen de jongste zoon van de hoofdkoetsier jarig was en een nieuwe fiets van oudtante Marie cadeau kreeg. Hij was vernoemd naar haar. Op deze manier leefden de oudtantes mee met hun mensen en personeel.

Ik herinner me de omgeving van Laag Wolfheze van toen vooral als een oord om er de vakanties door te brengen. Het wegenplan was al uitgelegd voor Doorwerth, maar eigenlijk waren er haast geen huizen nog in 1940. Dat is heel langzaam gekomen, ook de winkels. Oosterbeekse winkeliers uit die tijd die ook wel op Laag Wolfheze bezorgden waren schoenmaker Mentink, kruidenier de Geest, en drogist van Rijn. Er was een tuinman die groente verkocht, want ik zie hem nog met paard en wagen hier komen. Mijn moeder wou juist geen moestuin. Na de oorlog waren natuurlijk in Wolfheze ook wel winkels. Dat is allemaal weg. Rond 1930 kwam er telefoon op Laag Wolfheze. Na de oorlog duurde het even voor de verbinding weer hersteld was en kon het gebeuren dat berichten via hotel Wolfheze werden doorgegeven. De krant werd wel aan huis bezorgd in die tijd.
Ik herinner me dat mijn oudtantes per boot allerlei dingen uit Amsterdam meenamen voor hun verblijf op de Pietersberg, zoals de vleugel en koloniale waren. Misschien kwam de boot in het haventje in Arnhem aan en werden de spullen daarna met een wagen en paard verder vervoerd.

Mijn moeder vond het heerlijk om op Laag Wofheze de vakantie met Pasen, Pinksteren en in de zomer door te brengen. Naarmate wij kinderen ouder werden en andere vakantieplannen kregen zei ze weleens: “Ik zit hier dikwijls eigenlijk alleen of samen met onze oude kinderjuffrouw”. Ik denk dat zij hier misschien graag had willen wonen, maar haar hele familie woonde niet hier en het huis was er niet op gebouwd.
Het was echt gebouwd zoals je toen een buitenhuis bouwde. Direct bij de bouw van de “Villa” en de woning van de boswachter zorgden putten voor de watervoorziening. Het water bij de “Villa” zat 35 meter onder de oppervlakte. Een elektrische pomp pompte het water in een groot reservoir op zolder. Maar de “Villa” was niet geschikt om er in de winter te zijn. Alleen in de oorlog toen ik in Nederlands Indië werkte, woonde dokter Oorthuys met zijn gezin er twee winters in. Hij was geëvacueerd vanuit Den Haag. Na de slag om Arnhem in 1944 namen de Duitsers het in beslag en dat is mogelijk de redding van het huis geweest. Vele huizen, groot en klein, vielen in die maanden ten prooi aan het oorlogsgeweld. In het hele gebied waren de bewoners uit hun huizen gezet en er was niemand om de branden te blussen. Op Laag Wolfheze voorkwamen de Duitsers tot twee keer toe een brand na een granaatinslag. In de solide kelders konden zij schuilen tijdens beschietingen. Om warm te blijven, verbrandden ze het meubilair en de trapleuning, alleen de Biedermeier canapé van mijn betovergrootmoeder bleef gespaard. De muren zaten vol kogelgaten.

In 1948 bracht mijn oudste zuster mijn vader op de gedachte om Laag Wolfheze toch weer in gebruik te gaan nemen als zomerverblijf. Toen startte hij aanvragen om reparaties uit te voeren, zoals voor de elektriciteit en de watervoorziening. We hadden alleen maar de keuken en dat kleine kamertje ernaast. Boven sliepen de kinderen op strozakken. In de oude badkamer was een boiler, die dokter Oorthuys had laten aanbrengen en er was een kachel beneden. We hadden geen gordijnen, want die waren gebruikt om de jeeps, veroverd op de ‘Airborne’ troepen,  te starten. Sindsdien brachten drie generaties voortdurend verbeteringen aan. De “Villa” en de woning van de boswachter kregen begin jaren ‘70 water via het gemeentelijk waterleidingnet. Het huis wordt nog steeds elk jaar intensief gebruikt als vakantieverblijf maar ook voor bruiloften en andere partijen van de zich voortdurend uitbreidende familie. Ikzelf breng er ook iedere zomer enkele weken door, maar het was en blijft natuurlijk echt een buitenhuis.

Dat Laag Wolfheze bewaard is gebleven als natuurgebied is zoals gezegd te danken geweest aan mijn vader. Hoewel deze zeer gesteld was op de omgeving van Oosterbeek en Wolfheze waar hij zijn jeugd had doorgebracht, kwam hij zelf hoogstens in de zomer naar de ‘Villa’ en dan alleen voor het weekend. In latere jaren kwam hij altijd een dag of tien in het najaar en verbleef dan in Hotel de Bilderberg waar het veel comfortabeler was. Hij besefte dat het leven op een buiten zoals hij dat in zijn jeugd gekend had in Nederland niet meer terug zou keren.’

 

Beluister hier een fragment van het verhaal

Kijk ook eens op: