Leven met Water: “Het water stond zelfs in de Dorpstraat in Renkum.”

Henny Meulebeek (Geb. 1924)

Met een kopje koffie erbij vertelt Henny Meulebeek over het witte huis bij de steenfabriek de Kleikamp aan de Rijn bij Renkum. Daar groeide ze op in de periode voor de Tweede Wereldoorlog. Hennie heeft van haar geboortehuis een foto vergroot en ingelijst en die laat zij mij vol trots zien. Het is moeilijk je voor te stellen dat er eind 19e eeuw bij Renkum vier steenfabrieken stonden. Laat staan hoe het was om als kind op te groeien aan de rivier met deze bedrijvigheid om je heen en dat die plek in oorlogstijd precies in de frontlinie lag.

Verhaal Jeanne van Poppel, beeld Jan van de Lagemaat.

“Mijn moeder woonde haar hele leven aan de Rijn. Eerst bij steenfabriek van der Loo en daarna bij de Kleikamp. Opa, die eerder bij steenfabriek van Wijk aan de overkant gewerkt had, woonde in het huis aan de weg ‘Aan de Rijn’. Dat bazenhuis hoorde bij de steenfabriek van der Loo. Daar kwam mijn vader als steenbaas te werken en leerde er mijn moeder kennen. Toen de Kleikamp vrijkwam ging mijn vader daar heen. Mijn ouders trouwden en gingen wonen in het witte huis dat bij de Kleikamp stond.
Ik ben in 1924 aan het water geboren als oudste dochter, tweede kind van een gezin met negen kinderen. Ik ging op school bij de zusters Ursulinen in Renkum en dat was minstens vijfentwintig minuten lopen naar het dorp. Toen de hulp van mijn moeder tbc kreeg, kwam ik juist van school en bleef voortaan thuis. Ik was dertien. Ik hielp al jong mee in de huishouding bijvoorbeeld met op de kleintjes passen. Later kwamen daar meer taken bij zoals afwassen, dweilen, schrobben, bedden opmaken enzovoort.

Steenfabriek de Kleikamp

Ik hielp ook in het kantoor van de steenfabriek. Het kantoor was ingericht in een van de kamers van ons huis. Daar deed mijn vader de administratie. Later in 1938 ging de administratie naar het hoofdkantoor toen de steenfabriek veranderde van eigenaar. Als er iemand kwam, een klant of zo, bracht ik een kopje koffie. Ik schreef ook bonnen uit als mijn vader er niet was en er iemand stenen kwam halen. Hij zei: “Nou, ik kom er niet voor terug. Dat doe jij het maar.” Iedere bon met een duplicaatje erbij, een bon van 8000 stenen was de grootste. Ik nam ook de telefoon aan. Op school waren er kinderen die zeiden: “Nou telefoon? Praten door zo’n draadje? Dat kan toch niet.” Voor ons was het normaal. Ik zat er ook wel eens stiekem aan met m’n vriendin. Dan was mijn vader kwaad en zei hij: “Alles voor de zaak en voor de klanten, bel jij vanavond maar.” Ik mocht wel bellen, maar buiten kantoortijd dan natuurlijk.

Wij woonden aan de Rijn en na de voortuin kreeg je meteen de “Rijnhucht”. Mijn moeder had altijd veel angst, omdat de tuin maar ongeveer 4 á 5 meter van de Rijn lag. In die tijd verdronken er ook wel mensen, zoals twee kinderen van een machinist op de fabriek. Er stond een koepeltje in die tuin waar we graag zaten. Pas als de fabriek ’s avonds stillag, na half 6, speelden we daar verstoppertje of zo. De mensen op de fabriek moesten ongestoord kunnen werken, daarom mochten alleen op de woensdagmiddagen vriendjes komen spelen. De vriendjes van mijn broers vonden het prachtig bij ons op de fabriek. Een van mijn broers bracht soms wel twee, drie vriendjes mee. Hij speelde bijvoorbeeld met brede planken, waarmee ze de schepen laadden. Die nam hij mee in zo’n grote put, zogenaamd om te varen. Als er lelijke lucht aan kwam hielpen mijn broertjes wel eens mee op de fabriek. Ze hielpen dan bij het stenen onder dak brengen, want als stenen erg beregend waren, waren ze minder waard. Maar verder niet, ze gingen naar school.

Steenfabriek in bedrijf

De mensen die op de steenfabriek werkten brachten hun eigen potje mee. Water gingen ze op de deel halen in het achterhuis. In de zomer werkten er ongeveer zestig mensen en in de winter twintig. Vaak waren het dezelfde mensen uit Renkum en Heelsum. Maar ze kwamen ook uit de Betuwe, van Herveld, van overal. In de tijd van mijn vader werkten er geen vrouwen meer in de fabriek. Bijna iedereen kwam te voet. Vanuit de Betuwe staken ze met een roeiboot over, want via het veer was het helemaal om lopen. Op zaterdagmiddag om één uur in het kantoor kregen zij hun loon. Mijn vader zat achter het tafeltje. Later kwamen er loonzakjes, het ging allemaal zo provisorisch.

De stenen van de fabriek kwamen ze halen met paard en wagen. De eerste vrachtwagen die had 8000 stenen en nu zijn 20.000 stenen niets, bij wijze van spreken. Of met schepen en dan heel hoog opgestapeld. Per schip kwam er turf en later kolen voor de oven van de steenfabriek. Ik herinner me een sleepboot met soms wel vijf, zes schepen erachter. Als eens een schip ergens moest gaan laden, riep de schipper de sleepboot. Ik zag ook zeilschepen en sommigen hadden zo’n klein motortje opzij. Aan de overkant was een soort zandbank. Grote schepen kwamen daar weleens vast te zitten. Dan kwam een sleepboot om de grote schepen om te draaien. Soms zaten ze wel een halve dag vast en die sleepboot maar trekken en trekken. Dat vonden we wel interessant. Ik vond het leuk als er schepen bij ons voor de wal lagen, want dan had ik tenminste speelkameraadjes. Daar waren vaak ook meisjes bij. Tijdens het laden van stenen gingen ze hier in Renkum naar school. Vertrok het schip om elders uit te laden, gingen ze daar weer drie of vier dagen naar school. Toen was er blijkbaar nog geen schippersschool. Verder was er een bodedienst per schip. Als je bijvoorbeeld een pakje naar Arnhem wilde verzenden, bracht je dat bij het veer, bij van de Berg. Het scheepje toeterde bij ons al voor het huis. Van de Berg hing dan de vlag uit als er post was. Mijn moeder was weleens kwaad daarover, omdat een baby in de wagen in de tuin lag. Haar kind wakker natuurlijk. Als van de Berg niets had, hoefde het scheepje niet aan te leggen.

Gezin Gunsing

Vaak was er overstroming en het hoge water stond dan ongeveer vijf meter van het huis. Ik vond het griezelig al dat water. Onze kelder bleef meestal watervrij. Mijn vader en moeder vertelden dat het in 1926 binnen heeft gestaan. Het water stond zelfs in de Dorpstraat in Renkum. Zij woonden tijdelijk boven, kookten in de keuken en dat met de klompen aan. Als de weg onder water stond, mochten we via de papierfabriek. Vanaf het houtveld liepen we door een poort langs de haven via de uitgang van de papierfabriek naar het dorp. Ik herinner me nog dat het houtveld weiland was en dat het opgespoten werd met zand. We speelden in dat zand, dat vonden we prachtig. Dat zal wel in 1930 geweest zijn of zo. Daarvoor ging het met de roeiboot. Ook mensen van de fabriek kwamen met de roeiboot als de weg en de wei onder water stonden. Was de Rijn bevroren, dan was er bij ons altijd een streep water open, want wanneer papierfabriek van Gelder werkte liep er altijd lauw water de rivier in. Bij het veer, wanneer het hard gevroren had, maakten ze een pad over het ijs. Daar konden mensen er wel over lopen. Ik geloof dat het in 1947 of 1948 de laatste keer was dat de Rijn bevroor. Toen de sluizen kwamen gebeurde dat niet meer.

Tijdens de luchtlanding van Market Garden in ‘44 zaten we hier helemaal klem. We zaten midden in het oorlogsgebied met een gezin van negen kinderen. Aan de overkant zaten de Engelsen, de Duitsers zaten bij ons in de oven van de steenfabriek. In de steenfabriek zaten een stuk of vijf kamers. Wij, de schippers en de machinist hadden ieder een kamer. De Duitsers hadden ook een kamer. Ze zeiden: “Blijven jullie maar, want we zijn zo weg.“ Maar dat was niet zo, dat viel hen ook tegen. Wij hielden het niet lang vol, want je werd er gek van. We schuilden er drie weken. Drie weken zonder te wassen. Daarom haalde mijn vader een beetje water als niemand hem zag. Dan poedelden wij, negen kinderen met één washandje. Voor wat melk stond onze koe in een aparte kamer. Om ons heen werd zo verschrikkelijk geschoten. Mijn broertjes mochten soms even naar buiten en dan wisten ze het precies: “Abschuss of Einschlag”. “Einschlag” kwam van de Engelsen en “Abschuss” van de Duitsers. Naast de oven van de Kleikamp stond namelijk hun kanon.

Renkum evacueerde op 1 oktober 1944, maar wij gingen pas op 11 oktober. Ze begonnen te schieten met fosfor en van alles. Afschuwelijk was het. Mijn moeder kreeg het zowat op haar zenuwen. We vertrokken met een rode kruisvlag, waarvoor zij een badhanddoek met rode strepen op een kinderlakentje had genaaid. We gingen toen de Engelsen even niet schoten, ongeveer tien minuten lang. Op paard en wagen kwamen we langs ons huis, maar durfden er niet in om nog wat mee te nemen. We liepen in de uiterwaarden, een heel open stuk, waar ze ons makkelijk konden zien lopen. De schepen en woonarken in de rivier waren allemaal al gezonken, voordat we weggingen. Dat hadden ze extra gedaan natuurlijk.
We moesten ons eerst melden bij de “Ortscommandant” op de Keijenberg. Daarna gingen we via Bennekom naar Ede, maar zat het vol. De machinist, die ook met zijn gezin was mee gegaan, had kennissen in Wijk bij Duurstede. Via hem kwamen we in Wijk bij Duurstede aan met niets bij ons. Daar zaten we bijna tien maanden in een schuurtje. Alleen de twee kleintjes sliepen bij mijn vader en moeder. De anderen waren allemaal verdeeld en sliepen ergens anders. Om zeven uur in de ochtend waren we wel allemaal weer in het huisje, waar moeder van rogge en water pap had gemaakt. Er was vrijwel geen eten meer, terwijl we thuis nog wel genoeg hadden staan, vooral aardappels. Mijn vader had namelijk de steenbanen om laten ploegen, omdat er geen kolen meer waren voor de fabriek. Hij teelde er groente en aardappels. Bij hoog water en een bepaald aantal meter in Keulen zette hij hier de dammen dicht. Maar de Duitsers wisten van geen toeten en blazen en schrokken zich rot natuurlijk. Dus alles kwam onder water te staan. In Januari 1945 probeerde vader nog wel in Renkum te komen en daar trof hij alles bevroren en verrot aan.

Toen we terugkwamen zat er geen deur meer in ons huis. Allemaal gebruikt in de loopgraven, die liepen vanaf onze voordeur langs de Rijn naar Wageningen. Ook heel veel deuren uit het dorp waren gebruikt om die loopgraven te stutten. We woonden nog drie weken in de oven, voordat we weer in ons huis konden wonen. Rond het huis en de fabriek was het bovendien gevaarlijk, want overal lagen boobytraps. Engelsen kwamen met Duitse gevangenen om boobytraps op te ruimen. Bij die ontploffingen reageerde vader vaak kwaad. Het dak lekte bij thuiskomst en toen gingen er weer pannen van het dak. Later lagen er nog verschillende overal verspreid. Mijn broertje van tien kwam een keer bij mijn moeder met een boobytrap en hij zei: “Heb ik onklaar gemaakt. Ik wist hoe het moest.” Mijn moeder kreeg zowat een appelflauwte.

We hadden het altijd goed en gezellig thuis. We woonden er prettig. In 1970 brak men ons huis tegelijk met de Kleikamp af. Ik zag de pijp van steenfabriek van de Loo vallen en toen ook die van de Kleikamp. We hoorden dat ze ermee bezig waren en daar gingen we met z’n allen naar toe. Ik weet niet hoeveel mensen er stonden of zaten. Het was mooi weer en interessant om te zien hoe een pijp van minstens 50 meter valt. In een keer pufffff.”

 

 

Kijk ook eens op: