De Boschhoeve: ‘Daar ga je naar de stoefzanden.’

Boschhoeve_portret_PetervanDintherMG_3036_www

Gerard Jurrius
Pachter

Zand en grind stroomden met het smelten van het ijs in de ijstijd naar zuidelijke richting. Zo ontstond op de plek van de Boschhoeve een spoelzandwaaier, een sandr. Volgens het Landschapsontwikkelings Plan Renkum is dit de grootste van Nederland. Gerard Jurrius is in 1941 op de Boschhoeve geboren. We zitten in de keuken van de boerderij. Ik kijk op de muur die in september 1944 door een granaat kapot geschoten is. Gerard Jurrius praat bondig over het leven in de jaren 40 en 50, de boerderij en de werkzaamheden. In de loop van het gesprek gaat het sneeuwen.
Auteur Jeanne van Poppel

‘Ongeveer in 1915 startte de ontginning van deze boerderij. In deze omgeving groeide overal heide en op de plaats van deze boerderij stonden bomen van 50 jaar oud. Dit bos werd gekapt, omdat de papierfabriek van Gelder geen hout kon invoeren tijdens de eerste wereldoorlog. De familie van de Haven uit Zeeland ontgon en exploiteerde de boerderij van ruim 75 ha tot 1924. Mijn vader heeft de boerderij vanaf 1924 gepacht. Hij kwam van de klei uit de Betuwe en iedereen verklaarde hem voor gek: “Daar ga je naar de stoefzanden.” Twee broers en een zus hielpen mee en mijn oom Gerard introduceerde toen al machines voor het oogsten van graan. In 1939 verkocht de eigenaar de boerderij en dit betekende dat de pachter kon vertrekken. Mijn vader kon al een stuk land ontginnen op het Mosselse veld. De nieuwe eigenaar wilde echter dat hij bleef en bouwde voor hem een nieuwe vrijstaande woning in 1940. Het oude woongedeelte, de noodwoning uit ongeveer 1916, bleef intact. Daar woonde een medewerker in tot 1981. We bewerkten de bijna 60 ha op het Mosselse veld tot 1970.

17 september 1944 is de dag waarvan ik me al iets herinner. Een paar duizend parachutisten landden op die zondag op deze boerderij. Twee uur later gevolgd door 90 vliegtuigen met manschappen en licht materieel. Wij schuilden met 24 mensen twee, drie dagen in de kelder. Mijn ouders haalden mijn jongere broer net op tijd uit de keuken, voordat een granaat de hele muur wegsloeg. Duitse krijgsgevangenen pompten de eerste dagen met de waterpomp op het erf voor de Engelsen. Na een week was het omgekeerd. De hele situatie benauwde ons en evacuatie volgde. De Duitsers of Engelsen gebruikten het huis daarna waarschijnlijk als kantoorruimte. Later staken de Duitsers de gelande vliegtuigen in brand. Ik zag de resten daarvan na de oorlog nog in het graan liggen. Ons gezin met toen zeven kinderen verbleef tijdens de evacuatie twee maanden in Bennekom en vertrok daarna naar Scherpenzeel. Een herdershond beet me daar in de benen. Ik speelde met mijn broers veel in de sloten. Mijn moeder wist zich bijna geen raad, want sloten kenden wij helemaal niet. Mijn vader verveelde zich daar een beetje en ging op zoek naar voedsel. Zo haalde hij een vrachtauto vol met aardappelen op uit Friesland. Dergelijke acties leverde hem een bijnaam op: “De aardappelkoning van de Veluwe”. In het laatste jaar van de oorlog was het verplicht om de producten van het land af te geven aan de Duitsers. Mijn vader probeerde dit zoveel mogelijk te voorkomen. Hij liet in zijn omgeving weten dat mensen voedsel van het land konden ophalen. Zo aten patiënten en medewerkers van de psychiatrische instelling Wolfheze, die geëvacueerd waren, knolrapen die we op het Mosselse veld teelden. Ik herinner me dat we jaloers waren op de verhalen van mijn ouders over deze spannende gebeurtenissen.

De boerderij kwam op gang na de oorlog door onder andere bijdragen voor machines vanuit het Marshallplan. Het bouwplan was tweederde rogge, een beetje haver en ongeveer 10 bunder consumptieaardappelen. Door de schrale zandgrond had mijn vader voor de oorlog al mestvee. De mest van dit vee was nodig voor het akkerbouwgedeelte van de boerderij. Hij kocht in september en oktober vee, dat hij na het mesten weer door verkocht. Wij hadden daarom tijdens de evacuatie geen vee in de stal staan. Hij startte na de oorlog vrij snel met 40 stuks mestvee. Het aantal stuks mestvee breidde uit naar 104 in 1951 na een verbouwing van de stal. We kochten altijd volwassen vee: eerst koeien, later stieren. In 1981 beëindigde ik deze tak van het bedrijf. Wij verbouwden een tijd zaairogge, omdat de prijs drie, vier euro boven de voerrogge lag. Als het prijs van het graan laag was, werd er meel van gemaakt voor de koeien. Meestal verkochten we het graan aan van der Kraats in Ede. Het stro ging naar de kleine varkensboeren in de omgeving, vooral in de Gelderse Vallei. We ruilden met handelaren de consumptieaardappelen en kregen voor één kilo consumptieaardappelen twee kilo voeraardappelen terug. De voeraardappelen gingen naar het vee. Vanaf 1960 teelden we aardappels voor de fabriek.

De gebouwen van de boerderij lagen al vanaf de ontginning midden in het land. Tussen de akkers groeiden rijen bomen. We noemden dat singels en deze singels waren zogenaamde ‘productiesingels’. Iedere 4 à 5 jaar leverde deze singels eikenhakhout op. Bakkers in de omgeving gebruikten dit hakhout voor het stoken van de ovens. Ook berkenbezems werden van dit hakhout van gemaakt. Dit kapwerk stopte ongeveer in 1962, 1963 toen het gebruik van aardgas meer in zwang kwam. Het landschap was heel open in die tijd. De hoge bomen zorgden later voor schaduwwerking op het land en maakten de gebouwen van de boerderij minder zichtbaar. Hollandse en Amerikaanse eiken staan aan de weg die langs de gebouwen loopt. Deze bomen stammen nog uit de beginperiode. De eigenaar liet de bomen om en om planten met de bedoeling de Amerikaanse eiken na 10 à 15 jaar te kappen. Maar dat is nooit gebeurd. Daardoor kwijnden de Hollandse eiken weg, omdat deze bomen langzamer groeien. Op de plek van het bosje aan de noordkant van de gebouwen was heide toen ik jong was. De vogelkers ingezaaid na de oorlog zorgde snel voor groen, maar de berken die er ook stonden zijn verdwenen. We zaaiden grasstroken in tussen de akkers. Na iedere 100 meter lag er een strook. De paarden konden daarop sneller en prettiger met de vracht uit de voeten. Die wegen bleven ook in stand toen de paarden in 1948 werden vervangen door trekkers. We hadden zelf twee paarden en soms huurden we paarden bij voor de werkzaamheden in de herfst of in het voorjaar. De paarden bleven in de periode van half mei tot één augustus niet op de boerderij, omdat wij geen weiland hadden. Zij gingen naar zogenaamde ‘weiboeren’. Daar hielpen ze mee gras maaien en hooi schudden. De grasstroken bleven nog lang liggen en dat bracht extra werk met zich mee o.a. bij het wieden van onkruid. Ik ploegde in 1970 de grasstroken om en betrok ze bij de akkers.

Mijn vader werkte met veel personeel. Het aantal vaste medewerkers schommelde van zeven tot ongeveer tien. Seizoenwerkers waren meestal mensen die ook bij de papierfabriek van Gelder in Renkum werkten. Mijn vader had weleens 50 à 60 losse knechten voor werkzaamheden zoals aardappel rooien en bieten rooien. Vaklieden bouwden de hooibergen of ‘hooimieten’ op het erf en de vrijgezelle broers Gerrit en Jan Timmer uit Renkum konden dat goed. Boeren in de omgeving wilden hen erg graag hebben, omdat zij de hooimijt opbouwden, zodanig dat alleen de laatste schoof nat werd. Ik haalde hen met twaalf jaar al op met de auto, omdat ze niet konden fietsen. Wat betreft personeel herinner ik me dat de heer Koker een jaar op de Boschhoeve werkte, voordat hij het landgoed Quadenoord overnam. Wij aten tijdens de graanoogst vaak konijn met appelmoes. Het gebeurde dat tijdens het maaien van het graan een knecht in twee dagen 80 konijnen met de hand ving. Ik zie nog de konijnenpoten aan de waslijn hangen, voordat we ze aan de varkens voerden. Het graan dorstten we in de winter. Na een lange vorstperiode droogde een hooimijt helemaal in. Ik zie vaag voor me het beeld van een locomobiel. Later gebruikten we een trekker met een lange aandrijfriem.

Droogte gaf op dit land veel zorgen. We gebruikten een handpomp. Met de komst van elektriciteit op het bedrijf in 1948 vervingen we de handpomp door een elektrische pomp. Aansluiting op de waterleiding van de gemeente lukte hier technisch niet. In 1970 verbeterden we de watervoorziening opnieuw. Ik herinner me de gloeiend hete zomer van 1947. Toen was er hier geen opbrengst. Ook in 1959, in 1976 en in 1983 was het erg droog. Ondanks de aanschaf van een regeninstallatie, in 1983, is regen hier noodzakelijk in de maanden juli en augustus. De strenge winters echter vond ik prachtig. Zoals in 1962/1963 toen we weleens drie dagen niet van de boerderij afkonden. De koudste winter voor mij was in 1956. Het begon ook om deze tijd. Met die sterke oostenwind overdag en twaalf, dertien graden vorst en ’s nachts tot tegen de twintig. Een week later bevroor de Rijn. Vlakbij het Renkumse veer gingen we met de auto naar de overkant: een uitje voor het gezin, dat ook in 1953 en 1963 mogelijk was.

Wij woonden dichter bij de lagere school dan de kinderen van het dorp. Toen ik op de lagere school zat lag de school tegenover het spoor aan het einde van de boerderij. Er kwamen uit het dorp altijd veel jongelui spelen. Het waren vriendjes van school. We speelden verstoppertje, buskruit, boompje verwisselen. Dat was prachtig. De vroegere jeugd van Wolfheze werkte hier veel in de zomer. Ze verdienden ongeveer dertig cent of vijfendertig cent per uur. In de jaren 60 kwam er meer concurrentie voor vakantiewerk onder andere bij de psychiatrische instelling in Wolfheze.
Een moestuin met groenten voor eigen gebruik lag aan de westkant van het woonhuis. Een aparte tuinman deed vrijwel al het werk en teelde onder andere sla, sperziebonen, snijbonen, bietjes, maggiplantjes. Er stond ook een hele rij kruisbessen, en beetje zwarte en rode bessen. Een slager uit het dorp slachtte tot 1955 jaarlijks een varken. Hij verwerkte met mijn moeder het vlees, waarvan zij een gedeelte weckten. We melkten altijd één koe voor eigen gebruik. Mijn vader deed sinds de aanschaf van de auto in 1947 regelmatig met mijn moeder aanvullende boodschappen in Renkum of Ede. In Wolfheze herinner ik mij 13 winkels uit die tijd, zoals een slager, twee elektriciens, een bakker, een kruidenier, een sigarenwinkel, een kantoormeubelen-boekhandel, een dameskapper, een herenkapper en een zuivelwinkel.

Ik hielp altijd mee op de boerderij en was veel buiten. In het weekend zorgde ik samen met mijn vijf broers en twee zusters voor het mestvee. Dat was onze vaste taak. Ik was handiger met technische dingen en de kleine reparaties deed ik allemaal. Voordat ik naar school ging, zorgde ik dat alle trekkers konden rijden. Ik was ook de enige die de fietsen van de hele familie repareerde. Ik legde drinkbakjes aan voor de koeien van mijn vader. Hij vond dat niet zo nodig, maar 100 koeien water geven met emmers was wel veel werk. Voor mijn moeder regelde ik rond mijn 17e jaar een wasmachine. De was doen betekende in die tijd zeker twee dagen werk per week voor een gezin met acht jonge kinderen. Iedereen vond dit eerst onzin, maar na een maand zag men het nut ervan in. Het soepeler laten verlopen van de werkzaamheden en het plannen of “in het voren werken” zoals ik dat meestal zeg, zat in mijn bloed. Voor mijn interesse in techniek had ik een voorbeeld aan mijn oom Gerard. Mijn vader was veel meer een manager. Ik was ook niet zo sterk voor de zware fysieke werkzaamheden. Na mijn opleiding aan de Hogere Landbouwschool in Ede ging ik in 1961 meewerken op de boerderij. In 1970 nam ik de boerderij over. Sinds ik alleen werk als akkerbouwer ontdekte ik dat de grond ideaal is voor proefvelden: iedere meter grond is hier bijna gelijk. Dat werkt voor mij een stuk makkelijker.’

 

Beluister hier een fragment van het verhaal